donderdag 24 augustus 2017

Concert 22 augustus 2017: Virtuoos en volledig Bach de zomer in


Robeco SummerNights 2017

J.S. Bach: Tweede Orkestsuite in a, BWV 1067a
J.S. Bach: Vioolconcert in E, BWV 1042
J.S. Bach: Vioolconcert in a, BWV 1041
C.Ph.E. Bach: Vijfde Sinfonia in b Hamburger Sinfonie, Wq 182
J.S. Bach: Dubbel concert in d, BWV 1043
Vivaldi: Allegro uit Concerto Nr. 11 L'Estro Armonico (toegift)

Isabelle Faust (viool)
Bernhard Frock, Akademie für Alte Musik Berlin
Concertgebouw, Amsterdam

Een avond vol vader en zoon Bach is geen straf. Zeker niet in de virtuoze uitvoering door Isabelle Faust kundig en met veel enthousiasme begeleid door de Akademie für Alte Musik Berlin. Met stiekem toch nog een toefje Vivaldi, de componist die Bach inspireerde tot zijn prachtige vioolwerken. 

De Duitse violiste Isabelle Faust (1972) behoeft eigenlijk geen introductie. Vele malen onderscheiden en met een aantal hoog aanschreven opnames - waaronder het Vioolconcert van Beethoven met het Orchestra Mozart onder leiding van Claudio Abbado - is zij geen onbekende op de internationale podia. In het kader van de Robeco SummerNights was ze ditmaal te gast met het evenzo befaamde barokensemble Akademie für Alte Musik Berlin (Akamus). De historische geïnformeerde uitvoeringspraktijk van Akamus leidde ditmaal tot een volledig Bach-programma. Met niet alleen werk van Johann Sebastian Bach (1685-1750), maar ook van zijn zoon Carl Philipp Emanuel Bach (1714-1788). 

Italiaanse inspiratie
Drie vioolconcerten van Bach - BWV 1042, BWM 1041 en BWV 1043 - vormden het hart van dit programma. Als afsluiter Bach's bekendste en meest geliefde vioolconcert: het Dubbelconcert in d. Het vraag- en antwoordspel waarin de violen met elkaar in gesprek zijn, maar ook met het orkest vraagt om een virtuositeit en overtuiging die het spel van Isabelle Faust en Akamus definiëren. Gek genoeg leek het vioolspel van solist/leider Bernhard Frock wat weg te vallen in dit geweld. Dit is overigens maar een kleine aanmerking aangezien het overduidelijk was dat Faust, Frock en Akamus niet alleen genieten van de muziek van Bach, maar juist ook van het onderlinge samenspel. De vrolijkheid spat er vanaf en is één van de redenen waarom - los van het fijne programma - dit concert zo goed uitpakte. 

Een concert met louter werken van Duitse componisten dat toch veel te danken heeft aan Italië aangezien Bach zich liet inspireren door de Italiaanse vioolconcertentraditie in het algemeen en het werk van Vivaldi in het bijzonder. Bach zou Bach niet zijn wanneer zijn composities meer doorwrocht en minder lichtvoetig zijn dan de Italiaanse tegenhanger. Een eigenschap waar zijn zoon Carl Philipp Emanuel juist weer afstand van heeft genomen in zijn werk en weer dat lichtvoetige heeft zoals overtuigend ten gehore werd gebracht in zijn Vijfde Hamburger Sinfonie. Overigens wil dit zeker niet zeggen dat het werk van zijn vader zwaar op de hand is. Het overbekende laatste deel van de Tweede Orkestsuite, Badinerie, is zonder meer lichtvoetig, ook in deze aangepaste versie waar niet de fluit de hoofdrol heeft, maar de viool. Ook hier was de virtuositeit, maar vooral vingervlugheid van zowel Faust als Akamus indrukwekkend. 

Toch nog Vivaldi
Zo kwam een heerlijk concert tot stand dat nimmer verveelde en de bezoekers een fijne zomeravond bezorgde. En dat in de Grote Zaal die op voorhand - zeker voor een klein ensemble zoals Akamus - minder geschikt lijkt, maar daar in de praktijk niet veel van te merken was. Het grote enthousiasme van het publiek werd - hoe kon het ook anders - beloond met een toegift. Een toegift dat vooral niet Duits was, maar het Allegro uit het elfde concert uit de reeks L'Estro Armonico van - jawel! - Antonio Vivaldi. Toch nog een beetje Italië tussen het Duitse vioolgeweld door.  

In juli en augustus vinden in het kader van de Robeco SummerNights een reeks zomerconcerten plaats. Meer info over en kaarten bestellen voor de Robeco SummerNights hier

dinsdag 22 augustus 2017

Concert 20 augustus 2017: Een Italiaanse Last Night of the Proms met een gebbetje


Robeco SummerNights 2017

Vivaldi: De Vier Jaargetijden
Rossini: Ouverture uit La Cenerentola
Verdi: Intermezzo uit het Derde Bedrijf van La Traviata
Puccini: Quando me'n vo' soletta la via uit La Bohème
Cherubini: E che? Io son Medea uit Medea
Mascagni: Intermezzo Sinfonica uit Cavalleria Rusticana
Verdi: Ouverture uit La Forza del Destino

Tjeerd Top (viool)
Jan Willem de Vriend, Camerata RCO
Concertgebouw, Amsterdam

De Robeco SummerNights zijn het Nederlandse antwoord op de wereldberoemde Proms-concerten die de Britse muzikale zomer dragelijk maken. Met een potpourri aan Italiaanse hits van onder andere Vivaldi, Verdi en Puccini leek Camerata RCO onder leiding van Jan Willem de Vriend er vooral een Last Night of the Proms van te willen maken. Zeker omdat De Vriend altijd wel in is voor een gebbetje. 

Wie van klassieke muziek houdt, komt er in de zomer wat bekaaid vanaf. De reguliere concertprogrammering last een zomerstop in en de musici waaieren uit over de wereld om de diverse festivals te bevolken of om met het orkest het buitenland aan te doen. In muzikale hoofdsteden zoals Wenen zijn er zeker wel concerten, maar dan in de categorie 'gezellig toeristisch' waarbij in Wenen je overspoeld wordt door Mozart-orkestjes met dito pruiken. Toch iets anders dan het reguliere concertseizoen. Gelukkig betreft dit een minderheid en is er genoeg te genieten. De Britse Proms-concerten die de zomer muzikaal in de Royal Albert Hall opluisteren zijn het bekendste voorbeeld, maar de Robeco SummerNights in het Amsterdamse Concertgebouw zijn inmiddels ook een begrip. Beide festivals bieden een gevarieerd aanbod waarbij een diversiteit aan orkesten, ensembles en solisten hun opwachting maken. Het beeld van de Proms is vooral dat van de befaamde Last Night of the Proms gemarkeerd door 'makkelijke' (meezing-)muziek, vlagvertoon en confetti, maar feitelijk in schril contrast staat met de rest van het programma. De Nederlandse variant kent een dergelijke laatste avond niet, hoewel er dit jaar wel een Last of the SummerNights is die het Britse trucje imiteert. Deze laatste avond is pas op 31 augustus, maar dat weerhield Jan Willem de Vriend en Camerata RCO er niet van om afgelopen zondagavond een soort Last Night of the Proms met louter Italiaanse klassiekers ten gehore te brengen. Een gebbetje her en der ontbrak daarbij niet. 

Bibberend de zomer in
Italië is hofleverancier van eminente én bekende componisten en dat was te merken ook. Om recht te doen hieraan trad het Camerata RCO aan. Een gezelschap dat - in tegenstelling tot de andere orkesten en ensembles - helemaal niet op pad hoeft voor de Robeco SummerNights aangezien dit ensemble bestaat uit leden van het Koninklijk Concertgebouworkest. Het ensemble bepaalt daarbij zelf het repertoire, maar ook de bezetting en waar ze spelen. Onder leiding van bij het KCO graag geziene gastdirigent Jan Willem de Vriend werd het dus de Robeco SummerNights en een volledig Italiaans programma. Een programma dat gedomineerd werd door De Vier Jaargetijden van Antonio Vivaldi (1678-1741). Een werk dat zo bekend is (en berucht als liftmuziek) dat je soms afvraagt of het nog wel de moeite van het uitvoeren waard is. Voor de rol van solist heeft Camerata RCO een beroep gedaan op collega en plaatsvervangend concertmeester Tjeerd Top. Een gelukkige keuze want hoe overbekend ook het werk klonk fris door een eigenwijze uitvoering waar je de jaargetijden bijna letterlijk kon horen in de muziek. Nu was Vivaldi daar al van nature meesterlijk in, maar het Camerata RCO en vooral Tjeerd Top gaven hier een extra dimensie aan. Zo hoorde je in de Winter echt het bibberen door de strijkers. Het klinkt allemaal vreselijk bekend, maar dat mocht de pret niet drukken. Al helemaal niet toen - hoe kon het ook anders in deze setting - Top een toegift ten gehore bracht. Een toegift waarmee hij de barok van de 18e eeuw verbond met die van de 20e eeuw: een bewerking voor soloviool van werk van Led Zeppelin.

Een mes voor een zwangere ensemblelid
Na de pauze kwam het karakter van een Last Night of the Proms helemaal los. Italiaanse publiekslievelingen zoals de ouvertures van Rossini's La Cenerentola, Verdi's La Forza del Destino en het  Intermezzo Sinfonica uit Cavalleria Rusticana van Mascagni werden overtuigend en transparant gespeeld. Dat is best een verdienste aangezien het ensemble, ondanks wat toevoegingen, natuurlijk niet een volledig orkest kan vervangen dat normaliter dit werk speelt. De toevoeging van een accordeon was daarbij enerzijds koddig, maar ook handig om het blazerswerk deels te vervangen in La Forza del Destino. Diezelfde accordeon had ook een hoofdrol in de aria E che? Io son Medea uit Cherubini's Medea. Net als een aria uit La Bohème verving het ensemble de zingende solist. De aria uit Medea was zelfs een nieuwe versie van de aria waarin Medea haar tegenstrijdige gevoelens bezingt om vervolgens haar eigen kinderen te vermoorden. Voorafgaand werd het drama wat ingeperkt doordat - wat koddig en niet voor de hele zaal zichtbaar - De Vriend een mes gaf aan het zwangere lid van het ensemble. Het zelfde lid dat na de pauze wat zoekend het podium was opgekomen. Het vervangen van de zang werkte uitstekend, maar na een prima einde met La Forza del Destino kwam er (natuurlijk!) ook hier een toegift. Wederom leek het een instrumentale versie van een aria van Verdi, maar ditmaal met het traditionele 'bloemenmeisje' die - met een enkele bloem in de hand - enkele leden van het ensemble aan het verleiden was om vervolgens aangekomen bij De Vriend in een heerlijke aria uit te barsten. Je kan het slechter treffen op een zomeravond.  

In juli en augustus vinden in het kader van de Robeco SummerNights een reeks zomerconcerten plaats. Meer info over en kaarten bestellen voor de Robeco SummerNights hier.  

dinsdag 15 augustus 2017

De twee gezichten van Richard Nixon. 'Richard Nixon. The Life' van John A. Farrell


Vorige week was het precies 43 jaar geleden dat Richard Nixon voor het laatste het Witte Huis verliet als eerste en vooralsnog enige President van de Verenigde Staten die voortijdig moest aftreden. Inmiddels kan een flinke boekenkast gevuld worden met boeken over Richard Nixon. John A. Farrell doet met Richard Nixon. The Life ook een duit in het zakje. Maar goed ook, want deze nieuwe biografie is een evenwichtige en waardevolle bijdrage aan de duiding van het enigma dat Nixon nog altijd is. 

De 37e President van de Verenigde Staten is een man van twee gezichten. Richard Milhous Nixon (1913-1994) was de man die grote internationale successen vierde door de deur naar China te openen en verstrekkende afspraken over ontwapening met Rusland te maken, maar ook zich niet onbetuigd liet in de binnenlandse politiek onder andere op het gebied van milieu en burgerrechten. Maar het was ook de man van Watergate waarbij de befaamde Nixon Tapes niet alleen duidelijk maakten dat hij indirect verantwoordelijk was voor de inbraak in het hoofdkwartier van de Democratische Partij maar ook de opdracht gaf om de inmenging van het Witte Huis te verdonkeremanen. Opnames die tegelijkertijd ook een inkijkje gaven in het andere – vulgaire - gezicht van Nixon: vloekend en tierend over alles en iedereen, maar in het bijzonder de liberale elite, zwarte Amerikanen en Joden. Een gezicht dat hij in het openbaar weinig liet zien, behalve toen hij zich na de verloren verkiezing voor gouverneur van Californië liet gaan tijdens zijn “laatste” persconferentie op 7 november 1962: “You don’t have Nixon to kick around any more, because, gentleman, this is my last press conference”. Na deze verloren verkiezing leek het gedaan met de politieke carrière van Nixon. Een carrière die hem via het Congres – als achtereenvolgens lid van het Huis van Afgevaardigden en Senator – naar het Witte Huis bracht als vicepresident onder Dwight D. Eisenhower. De nipt van John F. Kennedy verloren verkiezingen voor het presidentschap in 1960 vormden zijn eerste echte nederlaag terwijl die avond in het Beverly Hilton Hotel definitief een einde leek te maken aan zijn politieke carrière. Naar aanleiding van dit verlies zond de Amerikaanse zender ABC zelfs de half uur durende special The Political Obituary of Richard Nixon uit. Maar Nixon zou wel degelijk het Witte Huis bewonen. De moord op Kennedy en het presidentschap van Johnson overschaduwd door de Vietnamoorlog zou de basis leggen voor de terugkeer van Nixon die in 1972 met record brekende overmacht herkozen zou worden terwijl de fatale wonden van Watergate – zonder het te weten – al geslagen waren. 

Fair and balanced
Het is bijzonder lastig om een goede biografie van Nixon te schrijven juist vanwege zijn twee gezichten. Fair and balanced – en dan niet in de betekenis van Fox News – is lastig wanneer een politicus zulke tegengestelde emoties los maakt. Tegelijkertijd is er al zoveel over hem, maar ook door hemzelf geschreven dat je je kunt afvragen wat een nieuwe biografie nog toevoegt. Lang heb ik uit de voeten gekund met de evenwichtige biografie uit 2007 Richard M. Nixon: A Life in Full van de zelf in ongenade gevallen krantenmagnaat Conrad Black (die overigens ook een uitstekende biografie van Franklin Delano Roosevelt op zijn naam heeft staan) aangevuld met de boeken van Bob Woodward en Carl Bernstein over Watergate en boeken gericht op de opening naar China en de bijzondere verhouding met Kissinger. Het knappe van de nieuwe biografie van John Farrell is dat hij het voor elkaar heeft gekregen om het enigma Nixon te vangen in een ééndelige biografie van net iets meer dan 550 pagina’s. Gezien de complexiteit van Nixon en zijn enorme politieke carrière een grootse prestatie. Niet in de laatste plaats omdat Farrel het voor elkaar krijgt om zich niet louter op hoofdlijnen te richten. Enige kennis van het politieke systeem en geschiedenis van de Verenigde Staten is handig, maar ook voor Nixon-amateurs is dit een zeer toegankelijk boek dat ook nog eens vlot geschreven is en daardoor fijn leest. Het aardige daarbij is dat ondanks het feit dat Nixon inmiddels ruim twintig jaar geleden overleed en door de Nixon Tapes al veel bekend is er nog altijd nieuwe dagboeken en geheime documenten opduiken. Farrell maakt gebruik van de nieuwste inzichten. Dit leidt niet tot een ander beeld van Nixon, maar kleurt een en ander wel verder in. Zo is hij zeer gedetailleerd over Nixon’s eerste verkiezing tegen de links-liberale Jerry Voorhis en bewijst hij dat Nixon – via de Republikeinse fondsenwerver Anna Chennault – een mogelijke vredesdeal torpedeerde in de aanloop naar de voor hem succesvolle presidentsverkiezingen in 1968. Een flink staaltje van landverraad. Die verkiezing - een driestrijd met Democraat Hubert Humprey en de Dixiecrat George Wallace – won hij niet bepaald overtuigend. Een ander nieuwtje – althans voor deze lezer – was hoe de Republikein Nixon zich – in zijn latere jaren weliswaar - opstelde ten opzichte van homoseksualiteit. In een terzijde meldt Farrell dat toen de Nixons in 1980 Californië verruilden voor New York hun laatste dinergasten een voormalige assistent en zijn vriend waren. Farrell stelt dat Nixon – uiteraard niet alleen op grond van één diner – het gedachtegoed van de jaren zestig achter zich liet. Een ontwikkeling die hem – met name ook op ander gebied – steeds verder op afstand deed komen van het conservatieve deel van de Republikeinse Partij dat in weinig meer lijkt op de partij waar hij groot in werd.

Nixon in perspectief
Los van deze nieuwtjes en het feit dat het een goed geschreven biografie is, onderscheidt Richard Nixon. The Life zich vooral door het feit dat het Nixon in perspectief plaatst. Allereerst in het perspectief van zijn sociale achtergrond en de interne strijd tussen de karaktertrekken van zijn vader en die van zijn moeder. Farrell plaats dat onder andere in het perspectief van zijn ambigue houding ten opzichte van de burgerrechtenbeweging: 

And yet. If Nixon’s behavior on the rights of black Americans reflected his political calculations, it also showed the striations in his character. He would not have gotten to be president without that streak of Frank Nixon’s feistiness: after years of rising in a cutthroat business with no cause to carry him but his own wits, gall, and footwork, Nixon was crafty and expedient. He was a son of Southern California conservatism, with an old-fashioned veneration of values like property, order, word, and duty. But he was, as well, Hannah Nixon’s boy – a sensitive man, raised in the Quaker faith, with a feel for underdogs and outsiders.
Dat gevoel voor underdogs en outsiders paste hij ook op zichzelf toe waardoor hij zich vaak slachtoffer waande van de machinaties van een elite waar hij nooit toe had behoord of zou behoren. Enerzijds bevestigt dit het paranoïde karakter van Nixon en vormt dit de verklaring voor zijn onuitputtelijke én succesvolle drang om een politieke reus te worden én is het ook de verklaring waarom Nixon uiteindelijk zichzelf politiek te grave droeg. Anderzijds plaatst Farrell dit gevoel in perspectief en maakt daarmee duidelijk dat hoewel Nixon vooral spoken zag hij desalniettemin wel degelijk een punt had. Niet alleen omdat er wel degelijk tegenstanders waren die op zijn val uit waren, maar ook dat het spioneren van vijanden, het opnemen van gesprekken en de macht van de overheid inzetten tegen vijanden gemeengoed was voor een preisdent: zijn voorgangers waren er ook niet vies van. Van de heilig verklaarde Eisenhower tot de machtspoliticus par excellence Roosevelt en zeker Kennedy en Johnson. Het probleem voor Nixon was dat hij in een tijd president werd waar dit niet alleen niet meer geaccepteerd werd, maar dat deze machinaties ook zichtbaar waren. Dat betekent overigens niet dat het lot van Nixon buiten zijn schuld om was, maar het geeft veel meer reliëf aan een – in alle betekenissen van het woord – bijzondere presidentschap. Een presidentschap dat diepe dalen en historisch verstrekkende hoogtepunten kent. Een presidentschap met twee gezichten dat misschien wel mooi wordt verbeeld door de laatste foto van het Nixon-gezin aan de vooravond van zijn gedwongen vertrek uit het Witte Huis. Een bijna ongemakkelijk en onwerkelijk beeld van een gelukkig gezin. Toen het gezin klaar was met deze exercitie maakte de fotograaf nog een foto: van Nixon omhelst door zijn dochter Julie. Het verdriet en de wanhoop spat eraf. Zijn afscheidsrede in het Witte Huis bevat de dubbelzinnigheid van Nixon: “because only if you’ve been in de deepest valley can you ever know how magnificent it is to be on the highest mountain.” Tegelijkertijd blijkt ook – uiteindelijk – de zelfkennis over wat hem ten gronde heeft gebracht: “Always remember others may hate you, but those who hate you don’t win unless you hate them and then you destroy yourself.” 

‘Richard Nixon. The Life’ van John A. Farrell is maart jl. verschenen in de Verenigde Staten. De Europese editie wordt in oktober gepubliceerd. Deze recensie is eerder verschenen bij online nieuwsmagazine Jalta.

maandag 7 augustus 2017

Concert 6 augustus 2017: De 'Onvoltooide' van Schubert eindelijk voltooid?


Robeco SummerNights 2017

Berwald: Ouverture Estrella de Soria
Brahms: Vioolconcert
Schubert: Symfonie Nr. 8 Unvollendete (bew. Mario Venzago)

Arabella Steinbacher (viool)
Kevin John Edusei, Münchner Symphoniker
Concertgebouw, Amsterdam

Na het geslaagde debuut vorig jaar is de Münchner Symphoniker onder leiding van Kevin John Edusei ook dit jaar weer van de partij bij de Robeco SummerNights. Een heerlijk Romantisch programma met muziek van Berwald, Brahms en Schubert vormt het uitgangspunt voor een geslaagd concert. Een concert met een novum: de voltooide "Onvoltooide" van Schubert. 

De Robeco SummerNights in het Amsterdamse Concertgebouw zijn al sinds jaar en dag vast prik voor muziekliefhebbers die in de concertluwe zomermaanden aan hun trekken willen komen. Met een toegankelijk programma van klassieke muziek, maar ook jazz en pop weet het Concertgebouw in de maanden juli en augustus veelal volle zalen te trekken. Hoewel de programmering niet bepaald avontuurlijk is, biedt de serie wel de mogelijkheid om ensembles en orkesten te horen die normaliter niet snel het Concertgebouw aan doen. Een mooi voorbeeld hiervan is de Münchner Symhponiker. Eén van de vier (!) orkesten die de stad München rijk is. Onder leiding van de energieke en jonge Kevin John Edusei (1976) timmert dit in het klassieke Romantische repertoire gespecialiseerde orkest aan de weg. Weliswaar in de schaduw van met name het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks onder leiding van Mariss Jansons en de Münchner Philharmoniker waar Valeri Gergiev de scepter zwaait. Het vierde orkest in het drukke muzikale leven van München is het orkest van de Bayerischen Staatsoper. Vorig jaar maakte het in 1945 opgerichte Münchner Symphoniker een mooi debuut met een ouverture van Verdi, Tsjaikovski's Vioolconcert en de Italiaanse symfonie van Mendelssohn. Hoewel het vioolspel van Simone Lamsma wat tegenviel, was het zonder meer een meer dan goede avond. De formule van een ouverture, vioolconcert en symfonie is ook dit jaar weer ter hand genomen, maar ditmaal een ouverture van de relatief onbekende Zweedse componist Franz Berwald, het Vioolconcert van Johannes Brahms en de 'Onvoltooide' van Franz Schubert. Hoewel de bijnaam van die laatste niet klopt aangezien Edusei naar Amsterdam is getogen met de voltooide versie van de Achtste Symfonie. Een voltooide 'Onvoltooide' dus.

De immer elegante Arabella Steinbacher
Niet alleen een partituur met twee extra delen Schubert kwamen met Edusei mee naar Amsterdam, ook de relatief onbekende Zweedse componist Franz Berwald (1796-1868) had een plekje in zijn bagage verworven. Althans de ouverture van zijn liefdesopera Estrella de Soria die een heerlijke energieke start van het zomerconcert betekende. Maar naast deze twee partituren had Edusei ook violiste Arabelle Steinbacher mee. Steinbacher is een graag geziene gast bij de Robeco SummerNights waar zij in 2015 nog een elegante en technisch zeer begaafde vertolking ten gehore bracht van het Vioolconcert van Tsjaikovski. Een geliefd vioolconcert dat tot de absolute top hoort in het genre van het Romantische vioolconcert. Een top die verder bestaat uit de vioolconcerten van Beethoven, Mendelssohn en Sibelius. En natuurlijk het vioolconcert van Johannes Brahms (1833-1897) dat opgedragen is aan de violist Joseph Joachim en overeenkomsten heeft met het vioolconcert van Beethoven. Met name in het uitgebreide eerste deel waar een lange en heerlijke orkestrale introductie de weg plaveit voor prachtig vioolspel. Een vioolspel dat aan Steinbacher wel toevertrouwd is. Dezelfde elegantie en technische bekwaamheid die haar twee jaar geleden kenmerkte, was ook nu weer volop aanwezig. Het samenspel met de Münchner Symphoniker - op een wat hobbelige herintroductie van het orkest na haar solo aan het einde van het eerste deel na - was zonder meer goed en was niet in de laatste plaats te danken aan de heldere en levendige dirigeerstijl van Edusei. Een samenspel dat zich ook liet gelden in lyrische tweede en Hongaars aandoende derde deel. Het publiek lustte er wel pap van en beloonde - nogal hinderlijk - ieder deel van het vioolconcert met een applaus.

Gebrek aan mysterie en majesteit 
Ook na de pauze zette deze trend zich voort en mocht ieder deel van de Achtste Symfonie van Franz Schubert (1797-1828) zich "verheugen" op applaus van in ieder geval een deel van het publiek. Normaal zou dit overigens minder erg zijn aangezien de 'Onvoltooide' niet voor niets zo heet en slechts twee delen telt. Edusei heeft echter gekozen voor een versie van de symfonie die door Mario Venzago is gecompleteerd en daarom het reguliere aantal van vier delen kent. Bijzonder aangezien het nooit helemaal duidelijk is geworden waarom de symfonie slechts twee delen telt. Was Schubert tevreden met de twee delen, was zijn inspiratie op of zijn de laatste twee delen verloren gegaan? We zullen het nooit weten. Wat wel bekend is, is dat een schets van een Scherzo door Schubert is nagelaten, maar dat van een vierde deel geen noot is teruggevonden. Dit heeft de Zwitserse dirigent Mario Venzago niet weerhouden om de 'Onvoltooide' te voltooien. Bekend geworden van zijn nieuwe kijk op en intrigerende uitvoeringen van de symfonieën van Bruckner heeft hij Schubert's meesterwerk voltooid door vooral te putten uit Schuberts toneelmuziek bij Rosamunde  die rond dezelfde tijd tot stand kwam. Deze twee nieuwe delen zijn onmiskenbaar Schubertiaans en heerlijk om naar te luisteren. Maar ondanks dat het prachtige en mysterieuze beginthema een rentree maakt in het laatste deel, was wel heel duidelijk te horen dat de toneelmuziek van Rosamunde het mysterie en het majesteitelijke mist van de twee eerste delen. Het komt daarom - althans voor deze luisteraar - niet helemaal samen, hoewel het niet bepaald een straf is om dubbel zoveel Schubert in een programma te hebben. Aan de uitvoering lag het overigens ook niet. Edusei en zijn Münchner musici kwijten zich uitstekend van hun taak. Wel opvallend was dat het tempo van de symfonie - althans de alom bekende eerste twee delen - sneller dan gebruikelijk was. Niet per se vervelend, maar soms niet altijd passend. Misschien lag de tempokeuze ook wel besloten in het feit dat de symfonie door de Venzago-toevoegingen bijna twee keer zo lang is geworden en dat daarom een sneller tempo door Edusei noodzakelijk wordt geacht om de spanning erin te houden. Hoe het ook zij: het was misschien niet het meest geslaagde experiment, maar dat mocht de pret allerminst drukken en dit concert - net als het debuut vorig jaar - blijft een warme aanbeveling voor de Münchner Symphoniker voor een terugkeer volgend jaar. En Edusei bevestigt - na het debuut vorig jaar, maar ook een zeer geslaagde concertante uitvoering van de opera Nixon in China van John Adams afgelopen februari in het Concertgebouw - een dirigent te zijn die het volgen waard is.


Lees hier de recensie van het debuut van de Münchner Symphoniker bij de Robeco SummerNights in 2016.

In juli en augustus vinden in het kader van de Robeco SummerNights een reeks zomerconcerten plaats. Na een (geslaagd) debuut vorig jaar maakte het Münchner Symphoniker op 6 augustus haar rentree bij de Robeco SummerNights. Meer info over en kaarten bestellen voor de Robeco SummerNights hier.  


zaterdag 5 augustus 2017

Een fataal alter ego. 'The Dark Half' van Stephen King


De boeken van Robert Galbraith, Marek van der Jagt en Richard Bachman zijn allesbehalve hetzelfde, maar delen een belangrijke eigenschap: de schrijvers ervan bestaan niet. Ze zijn slechts bedacht als anoniem vehikel voor respectievelijk J.K. Rowling, Arnon Grunberg en Stephen King. Maar wat als het literaire alter ego een eigen plek opeist? De (fatale) gevolgen hiervan vormen de basis voor Stephen King's spannende The Dark Half

Een pseudoniem kan bevrijdend werken. Zeker in het geval van J.K. Rowling die gewoon op haar merites wenste te worden beoordeeld dan slaafse bestsellers op grond van haar Harry Potter-faam. Na de onder haar eigen naam uitgebrachte The Casual Vacancy was daar opeens een nieuwe ster aan het detective-firmament: Robert Galbraith die bescheiden succes vierde met The Cuckoo's Calling. Helaas was het geheim al snel verklapt en schoot de verkoop van Galbraith de lucht in, maar Rowling hanteert nogal altijd haar literaire alter ego voor de avonturen van detective Cormoran Strike. Arnon Grunberg wilde ook zijn eigen geschiedenis achter zich laten en introduceerde de onbekende Marek van der Jagt. De gelijke schrijfstijl zou uiteindelijk verraden dat er van een nieuwe schrijver geen sprake was, maar Grunberg wist zich nog lang in stilzwijgen te hullen over zijn alter ego. Voor Stephen King bleek een andere afweging te spelen om zijn pseudoniem Richard Bachman te introduceren. Zijn uitgever vond zijn ongekend hoge productie van meerdere boeken per jaar niet goed voor zijn brand waardoor Bachman het licht zag. Ook in dit geval werd de ware identiteit van het alter ego tegen de wil van de schrijver bekend. Een persbericht dat Bachman aan kanker was overleden, maakte een einde aan literaire tweelingbroer van King. Daarmee suggererend dat Bachman toch een schrijver van vlees en bloed was geweest in plaats van ontsproten aan het schrijversbrein. Niet voor het eerst zou een deel van het leven van King de basis vormen voor een (griezel)roman. 

Moorddadig 
Want in The Dark Half introduceert King de schrijver Thad Beaumont die hoewel hooglijk gewaardeerd wordt om zijn literaire debuut nu niet bepaald een verkoopkanon is. In het geheim heeft hij daarom zich gestort op de misdaadroman met in de hoofdrol de moordzuchtige Alexis Machine. Een enorm verkoopsucces dat zijn literaire werk in de schaduw stelt en vergezeld gaat van een pseudoniem: George Stark. Een pseudoniem waar hij uiteindelijk afscheid van wil nemen. Niet alleen omdat de koek op lijkt te zijn, maar ook om ruimte te geven aan zijn literaire ambities. Daarom kiezen Thad en zijn vrouw Elizabeth ervoor om niet alleen het geheim over de ware identiteit van George Stark te onthullen, maar hem ook ten grave te dragen. Letterlijk ten grave te dragen aangezien een artikel over deze onthulling gepaard gaat met een foto van een grafsteen van George Stark. Het had bijna over Richard Bachman kunnen gaan. Slechts één van de vele overeenkomsten tussen de in Maine wonende Thad Beaumont en Stephen King die zo ontzettend gehecht is aan New England en waar een groot deel van zijn verhalen afspelen. De vraag is echter in hoeverre Beaumont nu daadwerkelijk vrijwillig afscheid heeft genomen van Stark wanneer blijkt dat in Washington een student op gruwelijke wijze is vermoord met verwijzing naar het werk van Stark en de relatie met Beaumont. Een student die blijkens wat politiewerk op het punt stond om de ware identiteit van Stark te onthullen. Beaumont en zijn vrouw waren hem echter net voor en deden dit bewust om hem een hak te zetten. En zo wordt een fictief alter ego betrokken in een wel zeer realistische moordzaak. Maar Stephen King kennende blijft het hier niet bij en lijkt er meer aan de hand dan een simpele moordzaak. 

Thad Beaumont vs George Stark
En zonder al te veel spoilers weg te geven, verandert The Dark Half van een soort detective in iets veel mysterieuzers: wie of wat is de brenger van dood en verderf. Is het iemand die zich voordoet als George Stark of is het Beaumont die zijn alter ego misbruikt om diverse rekeningen te vereffenen. Of is er nog iets gekkers aan de hand? Is George Stark misschien wel veel meer dan een pseudoniem, maar een mens van vlees en bloed. Zoals verwacht mag worden van King weet hij dit gegeven om te zetten in een heerlijke en spannende pageturner. Waarbij de eerlijkheid wel gebiedt te zeggen dat het laatste deel van het boek minder indruk maakt dan het eerste deel. Niet eens zozeer omdat dan duidelijk is hoe de vork in de steel zit met betrekking tot George Stark, maar vooral omdat de apotheose wat meer run of the mill is en geen mysterie meer kent. Het laat overigens onverlet dat The Dark Half niet voor niets behoort tot de betere verhalen en behoort tot het literaire Pantheon van Stephen King waartoe ook klassiekers als It, Pet Sematary en Salem's Lot toebehoren. Een boek dat J.K. Rowling en Arnon Grunberg vast en zeker de nodige nachtmerries zal hebben bezorgd. Want een George Stark is toch zeker niet wat zij voor ogen hadden met hun literaire pseudoniem. 

'The Dark Half' van Stephen King is in 1989 voor het eerst verschenen. Een Nederlandse vertaling 'De Duistere Kant' is ook uitgegeven.