woensdag 30 november 2016

Polderhorror in het Rijk van Nijmegen. 'Hex' van Thomas Olde Heuvelt


Thomas Olde Heuvelt is nu niet bepaald een gekende naam in de Nederlandse literaire wereld. Maar inmiddels verovert de Engelse ‘hertaling’ van zijn Hex de Verenigde Staten, is het verkocht aan 16 landen, mag hij iconen als Stephen King en George R.R. Martin tot zijn fans rekenen en heeft Warner Bros. de televisierechten aangekocht. Ter ere hiervan is recent een nieuwe versie voor de Nederlandse markt verschenen. En het mooie: Hex voldoet aan de (hoge) verwachtingen en Olde Heuvelt’s creatie de Wylerheks zal bij menig lezer voor nachtmerries zorgen. 

Boeken getooid met juichende oneliners moeten in de regel met enige scepsis tegemoet getreden worden, aangezien het meestal verbloemt dat het boek in kwestie allesbehalve trouw is aan die uitingen. Zeker wanneer de afzenders ervan allesbehalve bekende (en erkende) criticasters zijn. Ook de omslag van Hex van Thomas Olde Heuvelt (1983) wordt getooid met prachtige aanprijzingen: ‘Briljant en volstrekt origineel’ en ‘Hex is griezelig, pakkend en origineel’. Normaliter zouden alarmbellen moeten rinkelen totdat de afzenders van deze warme woorden duidelijk worden: niemand minder dan Stephen King en George R.R. Martin. Toch twee Amerikaanse schrijvende grootheden die op het gebied van horror en fantasy echt wel weten waar ze het over hebben. Zeker aangezien Hex volledig in hun straatje past: een onvervalste horror over een historische heks die een hedendaags dorp in haar greep houdt. De recente zegetocht van Olde Heuvelt – inmiddels terug van een succesvolle tour door de Verenigde Staten – overziend, is er iets bijzonders aan de hand met Hex. Een boek dat overigens in 2013 voor het eerst is verschenen en waarvan het succes zich langzamerhand heeft opgebouwd en ertoe heeft geleid dat afgelopen zomer een Engelstalige versie is gepubliceerd en meerdere landen nog volgen. Daarbij is geen sprake van een vertaling, maar een hertaling waarbij het oer-Nederlandse verhaal in de kern intact is gebleven, maar niet meer plaats vindt in het vlakbij Nijmegen gelegen Beek. Want in de Engelse versie wordt het dorpje Black Spring in de Hudsonvallei in de staat New York geteisterd door de Amerikaanse evenknie van de Wylerheks. Gezien het grote succes dat Olde Heuvelt in de Verenigde Staten heeft en de lovende kritieken van King en Martin een briljante keuze. Maar – zoals hij aangaf in een recent interview met NRC Handelsblad – een plek die niet zonder reden is gekozen: de geboorteplek van de gothic novel met tegelijkertijd een Nederlandse geschiedenis. Zo blijft Hex in welke vertaling dan ook een typisch Nederlands verhaal. Naar aanleiding van deze nieuwe Engelstalige versie is in september opnieuw de Nederlandse versie verschenen waarbij het einde is aangepast op grond van de Amerikaanse hertaling. En Hex is – in welke versie dan ook – een volstrekt originele horror die – deze lezer incluis – tot het nodige ongemak leidt. Want Hex is goed, maar ook goed eng. 

Tussen Berg en Dal
Dat Olde Heuvelt het onder de rook van Nijmegen gelegen dorpje Beek – tegenwoordig onderdeel van de gemeente Berg en Dal - heeft uitgekozen voor zijn verhaal over een zeventiende-eeuwse heks is niet toevallig. Olde Heuvelt is geboren in Nijmegen en heeft daar tevens Engels en Amerikaanse literatuur gestudeerd. Daarbij is Beek gelegen in de streek Rijk van Nijmegen die niet alleen prachtig is, maar ook kan bogen op de unieke samenkomst van grote hoogteverschillen door het samenspel van heuvels en polders. En een deel van Nederland dat de nodige mythes en legenden kent, niet in de laatste plaats over heksen. Maar de inwoners van Beek zouden er alles voor opgeven om dat prachtige gebied nooit meer terug te zien. Want sinds Katharina van Wyler in 1666 ter dood is veroordeeld vanwege hekserij is Beek vervloekt. Een vloek die enkele maanden na de dood van Katharina van Wyler begon met het van de aardbodem verdwijnen van de gehele bevolking van Beek. 

Sindsdien is Beek weer bevolkt geraakt, maar heeft iedere inwoner moeten leren leven met de aanwezigheid van de Wylerheks die met dichtgenaaide ogen en mond zwijgend door het dorp waart. Een aanwezigheid die na honderden jaar tot gewenning en typisch Nederlandse nuchterheid leidt. Zo ook bij de familie de Graaf die de Wylerheks ‘oma’ noemen en wanneer ze toevallig bij hun thuis rondwaart gewoon een theedoek over haar hoofd gooien. Want alles went, zelfs een vloek. Zeker wanneer het onmogelijk is om eenmaal wonend in Beek je spullen te pakken en Beek (en daarmee de vloek van de Wylerheks) achter je te laten. Voor alle inwoners geldt dat wanneer zij langer dan enkele weken hun woonplaats verlaten zij overmand worden door een onbedwingbare neiging tot zelfmoord. Het is dus niet zonder reden dat nieuwe inwoners ontmoedigd worden om van Beek hun nieuwe thuis te maken. Echter kan dit alleen door tegenwerking, want het geheim van Beek moet dat blijven. Alleen al om te voorkomen dat Beek een soort toeristische attractie wordt waardoor het leven van de inwoners nog helser wordt dan het iss. Tegelijkertijd is door deze vloek een vreemd soort commune ontstaan met haar eigen regels en gebruiken. Een dorp dat – gelijk andere dorpen – gewoon een burgemeester heeft, maar de (morele) leiding van het dorp ligt in handen van de Raadsheer en een Raad die op grond van een antieke Noodverordening de orde handhaaft. Onder andere door een hypermodern Hex-commandocentrum dat via permanente camerabewaking en samenwerking met de AIVD Beek in het oog houdt. Want ten koste van alles moet voorkomen worden dat de Wylerheks haar duivelse krachten inzet en dat haar aanwezigheid buiten Beek bekend raakt. Grote angst is er daarbij met name voor het moment dat haar mond en ogen van de naaisels worden ontdaan. Legende wil dat het ‘boze oog’ van de Wylerheks de oorzaak is van het verdwijnen van de complete bevolking van Beek in de 17e eeuw. In de jaren zestig leidde het deels openen van haar mond tot fatale hersenbloedingen bij drie Beekse ouden van dagen. Dit is de wereld waar je als lezer van Hex in terecht komt. 

Polderhorror
Het knappe aan Hex is dat Olde Heuvelt niet alleen in de kern een bijzonder eng verhaal heeft geschreven en met de Wylerheks iets gecreëerd heeft dat menig lezer de stuipen op het lijf jaagt. Het is tegelijkertijd ook echt een Nederlands verhaal en daarmee misschien wel een volstrekt eigen genre van polderhorror. Het aardige is dat onze pragmatische volksaard – vertaald naar de laconieke inwoners van Beek – een extra dimensie geeft aan dit verhaal. De eerder genoemde theedoek is daar een voorbeeld van, net zoals datzelfde pragmatisme kan omslaan in hysterie en een waar volksgerecht. Olde Heuvelt spint zijn verhaal uitstekend uit over de bijna 340 pagina’s waarbij je als lezer blijft lezen en het liefst pagina’s zou overslaan om te weten te komen hoe de Wylerheks haar onvermijdelijke wraak neemt. Want dat is het knappe aan Hex: Olde Heuvelt bouwt de spanning langzaam maar zeker op en verliest zich niet in effectbejag of een vroege body count. Zijn horror is een tergende en subtiele horror waarbij een aanvullende dimensie wordt aangebracht: een psychologische. Want de ontwikkelingen komen in een stroomversnelling wanneer in de vriendengroep van Timo de Graaf – de familie van de theedoek en tevens hoofdrolspelers van Hex met vader Stefan, moeder Jolanda en hun beider zoons Timo en Max – social media en internet worden benut om hun uitzichtloze leven kleur te geven en dit langzamerhand ontaardt in een (keiharde) confrontatie met de heks. Een confrontatie die ertoe kan leiden dat het hele dorp ten onder gaat. Die angst manifesteert zich in opbouwende spanning binnen de Beekse gemeenschap dat uiteindelijk leidt tot een volksgericht en de vraag doet opkomen wie er nu eigenlijk schadelijker is voor Beek: de heks of de inwoners zelf? Of Hex dat antwoord definitief geeft, is aan de lezer, maar de horrorachtbaan die Hex is, onderstreept zonder enige twijfel de lovende woorden van Stephen King en George R.R. Martin en is daarmee een aanrader van jewelste. 

Afgelopen zomer is – naar aanleiding van de Engelse hertaling – een nieuwe versie van ‘Hex’ van Thomas Olde Heuvelt verschenen met een alternatief einde. ‘Hex’ is oorspronkelijk in 2013 verschenen en wordt uitgegeven door Luitingh-Sijthoff en is tevens als eBook beschikbaar. Deze recensie is ook verschenen bij online nieuwsmagazine Jalta.

dinsdag 22 november 2016

Tory Big Beasts and where to find them. 'A Kind of Blue. A Political Memoir' van Kenneth Clarke


In een tijd van toenemend cynisme over de politiek en het ontbreken van kleurrijke en onafhankelijke politici zijn de memoires van de Britse Conservatieve politicus Kenneth Clarke een welkom tegengif. Als één van de langstzittende ministers van het Verenigd Koninkrijk wist Clarke zijn stempel te zetten onder zowel Thatcher en Major als Cameron zonder zijn zeer ontspannen, maar vooral onafhankelijk houding aan te passen. Kind of Blue is daarmee een eerbetoon geworden aan de Tory Big Beasts van weleer, die in deze tijd misschien niet meer kunnen, maar wel zeer welkom zijn.

“I now realize that my personality is rather different from others. Compared with most politicians, I must seem so far laid-back as to be horizontal”. Bijna halverwege Kind of Blue. A Political Memoir geeft Kenneth Clarke (1940) blijk van zelfkennis die zijn persoonlijkheid en daarmee zijn (politieke) levenswandel definieert: een invloedrijk politicus die zich schijnbaar nooit (echt) geconformeerd heeft aan zijn politieke omgeving en daarvan zijn kracht wist te maken. Een Eurofiel in een toenemend Eurosceptische partij. Een One Nation Tory in een almaar – tot de komst van David Cameron – rechtser wordende partij voor Little England. Eén van de belangrijkste Big Beasts van de Conservatieven: de grote persoonlijkheden binnen de Conservatieve partij met een grote eigen achterban en eigen invulling van de belangrijkste ministeries en voortdurende invloed binnen de partij. Een Big Beast die in tegenstelling tot David Cameron en vrijwel al zijn voorgangers geen geprivilegieerde afkomst geniet. 

Hoewel Ken Clarke nog steeds Member of Parliament is voor Rushcliffe en dat al onafgebroken sinds 1970 is, is zijn actieve politieke carrière in het hart van de macht voorbij. De zesenzeventigjarige Clarke lijkt daar geen enkel probleem mee te hebben. En dat is ook niet zo gek aangezien hij vanaf 1979 – onder het premierschap van Margaret Thatcher – begonnen is aan een ministeriële carrière die uiteindelijk Clarke tot één van de langstzittende ministers heeft gemaakt in de moderne Britse politiek. Een carrière die begon met de juniorpost van Under Secretary of State for Transport en hem uiteindelijk leidde naar het kernkabinet van zowel Thatcher als haar opvolger John Major. De kolossale en voortdurende overwinning van Tony Blair’s New Labour in 1997 leek een einde te hebben gemaakt aan de toen al imposante carrière van Clarke. Maar met de komst van de coalitieregering van Conservatieven en Liberaal-Democraten voegde Clarke nog een Indian Summer aan zijn politieke carrière toe als onder andere Lord Chancellor en Minister van Justitie. Sinds de verkiezingen van 2015 en de terugkeer van de Conservatieven als meerderheidspartij heeft hij de gang naar de back benches gemaakt en observeert hij de bizarre politieke ontwikkelingen van Brexit, een leiderschapswisseling en de implosie van Labour. Alle reden dus om zijn ervaringen aan het papier toe te vertrouwen.

De minister en de taperecorder
Hoewel ‘aan het papier toevertrouwen’ niet al te letterlijk moet worden genomen. Clarke is een overtuigd ouderwetse politicus die zijn memoires als een aaneenschakeling van anekdotes aan een taperecorder heeft toevertrouwd en daarbij – in tegenstelling tot zijn bijna naamgenoot en eveneens beroemde Tory Alan Clark – nooit iets van een dagboek heeft bijgehouden. Aan zijn staf en uitgever MacMillan de schone taak om structuur aan te brengen, feiten te controleren en tot een coherent verhaal te komen. Daar zijn ze overigens zeer in geslaagd. Kind of Blue – juist door de oorsprong – leest alsof je met Ken Clarke – getooid met zijn trademark bruinsuède schoenen, sigaren rokend en whiskydrinkend – bij een knisperend openhaardvuur zit, luisterend naar zijn vele verhalen en anekdotes over zijn talloze ministeriële posten. Denk daarbij overigens niet dat hij enorm uit de school klapt of zijn privéleven in detail uit de doeken doet. Ook daarin is Clarke van het klassieke soort: het publiek heeft – op wat feitelijke informatie na – geen recht op zijn privéleven en hoewel het boek vol heerlijke anekdotes staat, zal geen van de lijdend voorwerpen zich (echt) beschadigd voelen. Hij gaat daarin in zover dat de dood van zijn geliefde vrouw Gillian – die in de nasleep van de verkiezingen in 2015 – haar gevecht met kanker verloor redelijk afstandelijk wordt beschreven. 

Gek genoeg siert Clarke dat enorm. Net zoals het moment – met groot plezier beschreven in Kind of Blue – dat hij en zo’n andere Tory Big Beast Malcolm Rifkind na het geven van een gezamenlijk interview waarbij de camera nog steeds liep ongefilterd en ongezouten hun mening gaven over de kandidaten voor het Conservatieve leiderschap. Een verkiezing nodig door het aftreden van David Cameron vanwege Brexit waarbij Clarke uiteindelijke winnaar Theresa May omschreef als een “bloody difficult womam”. Een omschrijving die ze – kenmerkend voor haar politieke antenne – benutte om haar kwaliteiten onder de aandacht te brengen. Deze en andere anekdotes geven een mooie inkijk in de werkwijze van Clarke: onafhankelijk, fair en verre van politiek correct of wat politiek geacht wordt door het leiderschap. Het heeft hem geen politieke windeieren gelegd aangezien hij - met name in de jaren negentig onder Major - vrijwel alle belangrijke ministersposten heeft vervuld: Onderwijs, Volksgezondheid, Binnenlandse Zaken, Financiën en Justitie. Die laatste in combinatie met de eeuwenoude positie van Lord Chancellor die ook het nodige ceremonieel inhoudt. Niet zonder reden dat hij zich in zijn eerste dagen begaf naar Ede & Ravencroft (motto: We supply ceremonial robes for all occassions) aan Chancery Lane in Londen. Bij de beschrijving van die periodes gaat hij echter de anekdotes voorbij en weet hij de kern van zijn beleidsvoornemen goed weer te geven, hoewel dit wel de minst geslaagde onderdelen van Kind of Blue zijn. Deze ietwat saaie passages komen echter tot leven door de kleurrijke anekdotes die vooral door zijn verwondering en gebrek aan gene. Over zijn binnenkomst bij het Ministerie van Justitie is hij dan ook glashelder: “I had not the first idea of what the Conservative Party had been doing in terms of justice policy in oppostition but someone handed me a printout of the key section of the Conservative Party website, of which I had never previously been aware”. Duidelijk wordt in ieder geval dat hij vooral ook erg heeft genoten van het internationale aspect van zijn diverse functies en dat het daarom ook erg spijt dat hij nooit Minister van Buitenlandse Zaken is geweest. Gaandeweg Kind of Blue wordt het zonneklaar dat zijn (inter)nationale netwerk immens is. Zo is hij sinds jaar en dag deelnemer aan de Bilderberg Conferentie. Een conferentie waarbij hij alle samenzweringsdenkers van repliek dient: “I would have been delighted to be party to such a plot so long as it was well intentioned and in accordance with my own views”. Mede door zijn internationale contacten, maar ook door zijn eigen overtuiging, is zijn waardering voor Europa en zijn overtuiging dat het Verenigd Koninkrijk binnen Europa hoort navenant gegroeid.

De eeuwige (verliezende) kandidaat voor het Tory-leiderschap
Juist die waardering voor Europa heeft hem altijd in de weg gestaan om het allerhoogste podium te bereiken: leider van de Conservatieven en daarmee uiteindelijk premier. Want deze eeuwige kandidaat voor het leiderschap van de Tories heeft hem in 1997, 2001 en 2005 doen verliezen van achtereenvolgens William Hague, Iain Duncan Smith en David Cameron. Met name in 1997 en 2001 had hij grote kans om leider te worden, maar bleek het gekozen systeem om tot een nieuwe leider te komen in zijn nadeel te werken. Want telkens bestond het electoraat, in 1997 de Conservatieve parlementariërs en in 2001 de (in meerderheid bejaarde) leden van de Conservatieve Partij, uit Eurosceptische kiezers die niets van zijn warme gevoelens voor Europa moesten hebben. Een permanente kloof binnen de Conservatieven die zoveel schade heeft gedaan in met name de Major-jaren, maar ook recent hebben geleid tot de Brexit en de val van David Cameron. In 2005 was er eindelijk ruimte voor een kandidaat als Clarke, maar werd toen overschaduwd door het optimisme van de vooruitkijkende en kosmopolitische David Cameron. Clarke is daarmee één van de beste leiders die de Conservatieven nooit gehad hebben, hoewel het sterk de vraag is of Clarke – gezien zijn wat lodderige en onafhankelijke karakter – wel opgewassen zou zijn geweest tegen de zware rol van leider van de Conservatieven en daarmee op een gegeven moment tevens premier. Zijn moeite met technologische vorderingen vat Clarke mooi samen naar aanleiding van zijn tweede gooi naar het leiderschap in 2001: “Technology had moved on, so although I have still never operated a computer myself, this time I was persuaded to have a website, and a so-called rebuttal unit. I never did discover what we put on the website”. Het aardige aan Kind of Blue is dat hij niet alleen een inkijk geeft in het leiderschap van de Conservatieven, maar ook bijvoorbeeld de impact van de veranderende media daarop. Zo lamenteert hij de veranderingen bij de Daily Telegraph na de overname door de (later in ongenade gevallen) Conrad Black. Van “the voice of the Tory Party at prayer” bleef uiteindelijk niet zoveel meer over. Maar het belangrijkste aan Kind of Blue is dat niet alleen een prachtig tijdsbeeld geeft van het Verenigd Koninkrijk in de tweede helft van de twintigste eeuw, maar vooral een fascinerende inkijk geeft in de machinerie van de politiek-bestuurlijke inrichting van het land en een insider view van de kabinetten onder leiding van Thatcher, Major en Cameron. Maar bovenal zijn het de memoires van een kleurrijk en onafhankelijk politicus waar – welke democratie het ook betreft – er veel meer van zouden moeten zijn.

In oktober zijn – onder de titel ‘Kind of Blue. A Political Memoir’ – de politieke memoires van Kenneth Clarke verschenen. ‘Kind of Blue’ is tevens verschenen als eBook. Deze recensie is ook verschenen bij online nieuwsmagazine Jalta.

woensdag 16 november 2016

Ian McEwan's Family Guy. 'Nutshell' van Ian McEwan


Inmiddels is het bijna traditie geworden dat Ian McEwan vrijwel iedere twee jaar een nieuwe roman aan het papier toevertrouwt. Na spionage in Sweet Tooth in 2012 en de gerechtelijke wereld in The Children Act in 2014 kiest McEwan in 2016 voor een weinig opzienbarend verhaal over liefde, verraad en moord. Maar de hoofdrolspeler in zijn nieuwste roman is dat allerminst. Want in Nutshell is die hoofdrol weggelegd voor een bijzonder welbespraakte foetus die letterlijk op de eerste rij zit wanneer zijn moeder en haar minnaar de dood van zijn vader plannen.

Hoewel het uitgangspunt van een foetus die spreekt, redeneert en refereert als een volwassen man uit de Britse upper class met een bijzonder goede neus voor wijn om enige gewenning vraagt, is dat na enkele bladzijden lezen eigenlijk al de gewoonste zaak van de wereld. Eigenlijk net zo gewoon als de wel erg ouwelijke baby Stewie Griffin uit de komische animatieserie Family Guy. Want bij het lezen van Ian McEwan’s nieuwe roman Nutshell dwalen de gedachten toch al snel richting deze zeer intelligente, Brits-Engels sprekende  en zeer volwassen jongste zoon van de familie Griffin. Overigens is dit alleen duidelijk voor dat andere vreemde familielid: de sprekende hond Brian. Daarmee vergeleken heeft de (naamloze) foetus in Nutshell het nog een tikkeltje lastiger omdat de enige die hem verstaat de lezer is. Met de keuze voor een foetus als verteller van zijn verhaal heeft Ian McEwan een nieuw hoofdstuk toegevoegd aan zijn oeuvre. En dat is maar goed ook aangezien het verhaal zelf slechts een vehikel is ter uitwerking van dit originele uitgangspunt. Het plot van Nutshell is redelijk rechttoe-rechtaan en – zoals in vele recensies al is opgemerkt – een hommage aan Hamlet van Shakespeare. Want in Nutshell zit de vertellende foetus  vanuit het ouderlijk huis in Londen op de eerste rij terwijl zijn moeder Trudy en haar minnaar Claude – tevens de oom van de foetus – hun liefde willen bezegelen door John, de man van Trudy en de broer van Claude, te vermoorden. Trudy en Claude zijn er op gebrand het waardevolle huis dat aan John toebehoort, maar waar de nog niet van John gescheiden Trudy alleen woont, te verkopen zodat zij de rest van hun leven in liefde én rijkdom kunnen vieren. De foetus hoort het allemaal aan en geeft daarmee de lezer een bijzondere inkijk in de relatie tussen Trudy en Claude en hun snode plannen.

Hamlet
Een inkijk die een extra dimensie krijgt door het feit dat Trudy en Claude de hedendaagse versie van Gertrude en Claudius zijn uit Hamlet. De klassieke tragedie over Hamlet, de Prins van Denemarken van de hand van William Shakespeare handelt over de wraak die Hamlet neemt op zijn oom Claudius die zijn vader heeft vermoord en daarbovenop ook nog eens diens troon én vrouw heeft ingepikt. Bij de foetus ligt het natuurlijk allemaal wat gecompliceerder. De foetus krijgt – in tegenstelling tot Hamlet – zijn informatie niet van de geest van zijn vader, immers die leeft nog. Het enige wat de foetus nodig heeft om achter het complot tegen zijn vader te komen, is het feit dat hij in de baarmoeder van zijn moeder zit en daarmee op de eerste rij zit. Tegelijkertijd is dit ook de reden dat hij de snode plannen allerminst kan voorkomen. Zo maak je als lezer – via de foetus – van dichtbij het complot dat Claude en Trudy tegen John smeden alsmede de ontknoping ervan van dichtbij mee. Zo dichtbij dat ook het liefde bedrijven een ongemakkelijke aangelegenheid wordt aangezien Trudy – die ook niet beknibbelt op de wijn – in dit late stadium van haar zwangerschap Claude rustig zijn gang laat gaan. Zeer tegen de zin van haar foetus die flink wat lichamelijk ongemak ondervindt van de hitsige Claude. Daarmee is meteen ook de aantrekkingskracht van dit boek inzichtelijk geworden. Door het aparte vertelperspectief wordt een nogal alledaags en niet bijster complex uitgewerkt verhaal voorzien van een bizarre dimensie dat het lezen van Nutshell bijzonder de moeite waard maakt. Zeker omdat onze foetus een heerlijk meanderende blik op de wereld heeft en er niet voor terugdeinst om dit in prachtig proza aan de lezer kenbaar te maken.

Niet de beste McEwan
Dat laat overigens onverlet dat Nutshell – zeker voor de liefhebbers van de Engelste taal in het algemeen en McEwan in het bijzonder – in de basis een geslaagde roman is geworden en weer wat nieuws aan het genre toevoegt, het desalniettemin meer een tussendoortje is dan een echte klassieker in de mal van Atonement en Saturday. Daar is Nutshell net iets te  ‘licht’  voor en niet een boek dat je er nog eens bij pakt. Desalniettemin laat McEwan zien dat hij ook bij zijn veertiende roman niet in herhaling valt. Telkens weet McEwan te verrassen door een nieuwe dimensie aan zijn oeuvre toe te voegen. En met deze bijzondere hoofdrolspeler is hij daar zonder meer in geslaagd.


In september is ‘Nutshell’ van Ian McEwan verschenen. De Nederlandse vertaling ‘Notendop’ – uitgegeven door Uitgeverij De Harmonie - is inmiddels ook beschikbaar.

zaterdag 12 november 2016

Ballet 8 november 2016: Wegdromen bij La Bayadère van het Nationale Ballet


Nationale Ballet
La Bayadère
(Ludwig Minkus, 1826-1917)

Anna Ol, Nikiya
Young Gyu Choi, Solor
Qian Liu, Gamzatti
Roman Artyushkin, Hoge Brahmaan
Anatole Babenko, Radja

Natalia Makarova (choreografie)
Pier Luigi Samaritini (decor)
Yolanda Sonnabend (kostuums)

Ermanno Florio, Het Balletorkest
Nationale Opera & Ballet, Amsterdam

Het Nationale Ballet brengt vol overtuiging de balletklassieker La Bayadère. Door te kiezen voor een volstrekt klassieke interpretatie komt het ballet in de choreografie van Natalia Makarova volledig tot z'n recht. Maar vooral: het laat balletliefhebbers heerlijk wegdromen in de exotische en mystieke wereld van de Indiase krijger Solor en zijn geliefde, de tempeldanseres Nikiya. 

Dat het Nationale Ballet van wereldklasse is, hoeft geen betoog. Eén van de voordelen daarvan is dat het Nationale Ballet beschikt over genoeg dansers om grootse klassiekers zoals La Bayadère op te voeren. En in het geval van dit ballet over de tragische liefdesgeschiedenis van de edele krijger Solor en tempeldanseres Nikiya is dat geen sinecure. De diverse akten, waaronder met name de tweede akte die plaats vindt in het Rijk der Schimmen, doen een beroep op zo’n tachtig (!) dansers. En dan hebben we het alleen nog maar over de kwantiteit. Want diezelfde tachtig dansers moeten ook van hoge kwaliteit zijn om het corps de ballet als eenheid en daarmee precies gelijk te laten dansen om de magie van dit in het mythische India gesitueerde ballet intact te houden. Tel daarbij de choreografie op van Natalia Makarova (1940) die zich niet alleen baseerde op de oerchoreografie van Marius Petipa, maar sinds de Nederlandse première ervan in 2007 telkens terugkeert naar Amsterdam om toe te zien op de uitvoering en daarmee kwaliteit van de choreografie en het is duidelijk waarom La Bayadère zo’n publiekstrekker is. 

Een onvermoeibare klassieker
En toch is gek dat La Bayadère een publiekstrekker is. Ga maar na: voor de kenner is het een bekend ballet, maar voor het grotere publiek zal het ballet niet zo snel een belletje doen rinkelen zoals bijvoorbeeld Het Zwanenmeer. Dat heeft in hoge mate ook te maken met het feit dat hoewel de Oostenrijkse Ludwig Minkus zich heeft onderscheiden als balletcomponist hij niet in het rijtje past van componisten als Tsjaikovski en Stravinsky. Overigens daarbij alleen op grond van bekendheid, want de muziek van Minkus is prachtig en bijzonder goed passend bij de dramatiek van La Bayadère. Afgelopen woensdag kon ik me daarbij niet aan de indruk onttrekken dat een enkeling zelfs met name voor die muziek was gekomen. Althans dat zou verklaren waarom een rijgenoot vrijwel gehele avond met neergeslagen ogen genoot van de voorstelling. Tegelijkertijd is La Bayadère hopeloos ouderwets met een setting in een mythisch India waar feitelijk nogal wat op af te dingen is en wellicht bij inwoners van India tot wat gefronste wenkbrauwen leidt. Want de setting van het verhaal en daarmee het decor is mythisch-klassiek, maar daarmee zo passend aangezien iedere andere enscenering niet zou werken. Het zou hetzelfde zijn om een bewerking van Op Hoop van Zegen te situeren in een of andere Hipster-gemeenschap. En het mooie aan de productie van het Nationale Ballet is dat - met dank aan het decorontwerp van Pier Luigi Samartini en de kostuums van Yolanda Sonnabend - die klassieke enscenering zo serieus genomen is, dat de gehele productie van begin tot einde één groot feest is. Op die manier krijgt het publiek de kans om weg te dromen in de onmogelijke liefde tussen Solor en Nikiya. Een liefde die door de Hoge Brahmaan, die stiekem zelf een oogje heeft op Nikiya, getorpedeerd wordt door de Radja te verleiden zijn dochter - de hooghartige Gamzatti - aan Solor uit te huwelijken. Tijdens het feest ter aankondiging van dit huwelijk weten de Hoge Brahmaan en Gamazetti - die vreest voor de liefde van Solor voor Nikiya - de tempeldanseres een mand met een giftige slang als onderdeel van haar dans te laten zijn. Nikiya wordt gebeten en weigert het tegengif van de Hoge Brahmaan die zo hoopt haar alsnog te winnen. Nikiya sterft en het huwelijk gaat door. 

Ballet van hoog niveau
Daarmee is het verhaal eigenlijk voorbij, maar weet La Bayadère er toch nog twee aanvullende akten uit te persen, waarvan de tweede de bekendste is. Want deze akte - die start met Solor die wegdroomt richting het eerder gememoreerde Rijk der Schimmen waar Nikiya zich nu bevindt - is een mooie aanleiding om de solisten, maar vooral het corps de ballet veertig minuten te laten schitteren in prachtige choreografieën. Alleen daarom is deze productie het bezoeken meer dan waard. En niet alleen dat, maar ook zeker vanwege de uitstekende prestaties van de solisten. Anna Ol is technisch perfect, Young Gyu Choi zet - ondanks een val tijdens de uitvoering op 8 november - een innemende Solor neer terwijl Qian Liu glorieert als een perfect hooghartige en arrogante Gamzatti. Dit alles komt samen in een fijne derde akte die slechts twintig minuten duurt en wel de vraag doet opkomen waarom Nationale Opera & Ballet ervoor gekozen heeft om twee pauzes in te voegen. Een decorwisseling is nodig, maar gezien de decorwisselingen tijdens de eerste akte mag dat geen probleem zijn. Een typisch geval van een zinloze pauze die onderstreept werd door het publiek dat en masse bleef zitten. Toch is de derde akte het wachten waard. In een prachtig vormgegeven tempel komen Gamzatti en Solor samen om hun huwelijk te sluiten. Nikiya keert als - alleen voor Solor zichtbare - geest terug en zorgt ervoor dat de goden, kwaad over het onrecht dat haar is aangedaan, de tempel laten instorten en alle aanwezigen - inclusief Gamzatti, de Radja, de Hoge Brahmaan én Solor - de dood vinden. In een prachtig laatste beeld (zie de foto die deze recensie begeleidt) vinden Solor en Nikiya elkaar in de hemel en in hun liefde. Gaat dat zien!


Van 8 oktober t/m 13 november 2016 voert Het Nationaal Ballet ‘La Bayadère’ in de choreografie van Natalia Makarova en op muziek van Ludwig Minkus op. Deze recensie is op basis van de uitvoering op 8 november 2016.

zaterdag 5 november 2016

Dans 3 november 2016: De verbeelding aan de macht bij NDT 2


Nederlands Dans Theater
Symbolen

León & Lightfoot: Some Other Time
Pokorný: Humpback Runner
Inger: Out of Breath

NDT2
Zuiderstrandtheater, Den Haag

De jonge dansers van NDT 2 brengen met Symbolen een ode aan Jheronimus Bosch. Met drie uiteenlopende werken komt de verbeelding aan de macht. Van het fragmentarische Some Other Time van huischoreografen León & Lightfoot en het fatalistische Out of Breath tot de speciaal voor dit programma voorbereide choreografie Humpback Runner van Jiří Pokorný als vertaling van de schilderijen van Bosch. 

Het is dit jaar precies 500 jaar geleden dat de Bossche schilder Jheronimus Bosch (1450-1516) overleed. Eerder dit jaar vierde het Noordbrabants Museum grote successen met de tentoonstelling Jheronimus Bosch – Visioenen van een genie. Het NDT zet de aandacht voor de Zuid-Nederlandse schilder voort door in samenwerking met de Stichting Jheronimus Bosch 500 te komen tot het programma Symbolen. Naast een recente choreografie van huischoreografen Sol León & Paul Lightfoot en een wat ouder werk van Johan Inger heeft voormalig NDT-danser Jiří Pokorný zich laten inspireren door de schilderijen van Bosch. In Humpback Runner laat hij de jonge dansers van het Nederlands Dans Theater (NDT 2) - in zijn eigen woorden – ‘migratie, beweging en het bewustzijn van ruimte en tijd’ benadrukken. Want hoewel het werk van Bosch statisch is, ziet hij een constante beweging daarin. Of beter gezegd: de suggestie van beweging. En precies die symbolisering van beweging vormt de kern van dit nieuwe werk. 

Organisch 
Een werk dat meteen een spanning in zich heeft door een chaotisch collectief dat in de verscheidenheid toch een eenheid vormt. Een chaos die wordt verbeeld door bewegingen die gemakkelijk en ongepland lijken, maar juist heel veel vragen van de dansers. Een compositie van Yukari Swaki en een indrukwekkend passende belichting bouwen een sfeer op die op sommige momenten deed denken aan het verontrustende (en zeer succesvolle) Clowns van de Israëlische choreograaf Hofesh Schechter die het programma Separate Ways aan het einde van het vorige seizoen zo memorabel maakte. Humpback Runner is uit ander hout gesneden, maar laat zien dat het NDT – juist ook door choreografen die uit de eigen stal komen – telkens weer nieuwe wegen poogt te bewandelen. Daarbij is Pokorný fragmentarisch te werk gegaan als verwijzing naar de drieluiken van Bosch die diverse landschappen en “bewegingen” tonen. 


Fragmentarisch en fatalistisch 
Dat fragmentarische komt ook terug in Some Other Time. Twee jaar geleden ging deze choreografie in première als onderdeel van een programma ter gelegenheid van het vijfentwintigjarig jubileum van León & Lightfoot. Het aparte toen was dat als onderdeel van dat vierdelige (!) programma het een beetje uit de toon viel, maar juist in deze combinatie meer tot zijn recht komt. Via zwarte decorstukken worden telkens opnieuw veranderende scenes neergezet als achtergrond voor de dansers. Met Some Other Time worden de verschillende emoties van die scenes gesymboliseerd. Dit alles op diverse korte werken van de hedendaagse componist Max Richter. De oplettende luisteraar en volger van The Leftovers zal hier ongetwijfeld de Lullaby herkennen uit deze bizarre HBO-serie over de onverklaarbare verdwijning van een deel van de mensheid en de impact die dit heeft op de achterblijvers. Jammere daarbij is overigens wel – en dat geldt voor het gehele programma – dat de muziek zelden één geheel vormt waardoor het fragmentarische karakter van de choreografie alleen maar verder wordt aangezet. Terwijl in de regel de meest succesvolle producties van het NDT een verhaal vertellen ondersteund door één coherent werk. Daarbij liefst van Philip Glass of juist de juxtapositie van klassieke werken van bijvoorbeeld Beethoven of Schubert en moderne choreografie. In Out of Breath was deze coherentie misschien nog het meest zichtbaar. Dit werk uit 2002 is zeer persoonlijk aangezien het de vertaling is door choreograaf Johan Inger van de indringende periode rondom de geboorte van zijn dochter. Daardoor is Out of Breath een werk waar leven en dood nauw met elkaar verbonden zijn en een centraal decorstuk de vertaling lijkt van de baarmoeder. De fatalistische dans tussen dood en leven wordt eigenlijk nooit beslecht totdat één van de dansers – inmiddels oud en frêle - door de dood (letterlijk) over de rand wordt geholpen waarmee de cirkel van het leven voltooid is. En daarmee sluit het NDT 2 tegelijkertijd een programma af waar de grote meester Bosch de symboliek vast en zeker op de juiste waarde zou hebben geschat. 


Van 3 november tot en met 22 december voert NDT2 ‘Symbolen’ op in haar eigen Haagse Zuiderstrandtheater en daarna op tournee door heel Nederland. Meer informatie en kaarten bestellen hier. Deze recensie is op basis van de première op donderdag 3 november in het Zuiderstrandtheater te Den Haag en tegelijkertijd verschenen bij online nieuwsmagazine Jalta.

zondag 30 oktober 2016

Witte rook voor Robert Harris. 'Conclave' van Robert Harris


Na zijn trilogie over de Romeinse redenaar en staatsman Cicero verlegt Robert Harris zijn aandacht naar het Vaticaan. In de nabije toekomst wordt het College van Kardinalen wederom geroepen zich te laten leiden door de Heilige Geest om een nieuwe Paus te kiezen. Conclave beschrijft in detail deze goddelijke verkiezing en levert – tegen de verwachting in – een spannende en onvervalste pageturner af. 

Hoewel de verkiezing van een nieuwe Paus niet bepaald onopgemerkt voorbij gaat, is het archaïsche proces zelf allesbehalve een spannende verkiezing. De uitkomst van die verkiezing kan dat soms wel zijn zoals de verkiezing van de huidige Paus Franciscus duidelijk heeft gemaakt en daarmee een nieuw tijdperk voor de Rooms-Katholieke kerk heeft ingeleid. Een tijdperk dat gekenschetst kan worden als back to basics: gericht op de zorg voor de Katholieke kudde die net zo goed vanuit eenvoud als vanuit onnodige en overdadige luxe in woord en daad beleden wordt. Dat daarbij de Sede Vacante niet ontstaan was door de dood van de Paus, maar het terugtreden van Benedictus versterkt het bijzondere karakter van deze verkiezing alleen maar. Maar het woord ‘verkiezing’ is eigenlijk minder van toepassing op wat in essentie een proces is dat in het teken staat van de wereldlijke vertaling van een goddelijke roeping door middel van een verkiezing onder kardinalen. Daar waar volgers van bijvoorbeeld de Amerikaanse presidentsverkiezingen zich dag in, dag uit verliezen in allerhande nieuwtjes variërend van gedetailleerde peilingen in de belangrijke battleground states tot (gênante) uitspraken van kandidaten, hebben volgers van de Vaticaanse politiek het een stuk lastiger. Lijstjes met kanshebbers voor de Heilige Stoel zijn relatief makkelijk gemaakt, maar in de regel is het niet meer dan onderbouwd gissen. Dat terwijl het electoraat klein en voorspelbaar is: ruim honderd kardinalen die de leeftijd van tachtig nog niet hebben bereikt zijn kiesgerechtigd. Die voorspelbaarheid geldt niet voor de uitslag. Peilingen onder de Prinsen van de Kerk zijn er niet en aangezien een nieuwe Paus in beginsel de steun moet hebben van twee derde van de kardinalen is consensus een noodzakelijke voorwaarde. Een voorwaarde die zich niet verhoudt tot de zero sum game die de keuze voor de Amerikaanse president is. De verkiezing van een nieuwe Paus is daarom vooral een kwestie van geduld tot de befaamde witte rook boven de Sixtijnse Kapel te zien is en niet veel later de nieuwe Paus zich aan de wereld presenteert. Toch heeft dit alles Robert Harris niet weerhouden om zijn nieuwste boek te wijden aan een (fictieve) Pauselijke verkiezing.

Koplopers zijn doodlopers
In Conclave schetst Robert Harris (1957) een zeer nabije toekomst waarin de Paus – die opvallende gelijkenis vertoont met de huidige Paus – plotseling overlijdt waardoor het College van Kardinalen zich verzamelt in Vaticaanstad. De gebruikelijke scheidslijn tussen de conservatieve en progressieve vleugels van het Katholicisme dient zich daarbij aan, terwijl tegelijkertijd de hoop bij delen van het College groeit op een niet-traditionele uitkomst (lees: een Paus uit de Derde Wereld) om de kerk een nieuwe relevantie te geven. Aan de Italiaanse kardinaal Lomeli, deken van het College en daarmee de hoeder van het proces, de schone taak om de verkiezing in goede banen te leiden. Harris kiest daarbij voor een opzet waarbij vrijwel het gehele boek zich afspeelt tijdens de verkiezing zelf. Alleen de dood van de Paus en de directe nasleep zijn aanvullend onderdeel van zijn verhaal. De drie weken tussen de dood van de Paus en de aankomst van de kardinalen in Vaticaanstad slaat Harris bewust over. Zo staat Conclave – in de Nederlandse vertaling verschenen als Conclaaf – volledig in het teken van de verkiezing, de afwegingen die daarbij een rol spelen en de wijze waarop de eminente heren met elkaar omgaan. Al snel blijkt dat het allesbehalve pais en vree is in Vaticaanstad waar een aantal koplopers van de verschillende vleugels zich warm lopen om geroepen te worden tot plaatsvervanger van God op aarde. Koplopers die om uiteenlopende redenen één voor één en door dramatische plotwendingen telkens niet meer blijken te zijn dan doodlopers. Een ontwikkeling die de wanhoop bij Lomeli en het College tot grote hoogte doet stijgen. 

Pageturner
Gezien het feit dat Robert Harris telkens weer in staat blijkt te zijn goede verhalen af te leveren, vooral wanneer deze een politieke machtscomponent in zich huizen, verbaast het niet dat hij met Conclave wederom een zeer lezenswaardige roman aan zijn oeuvre heeft toegevoegd. Daarbij is overigens wel verbazingwekkend dat Harris het voor elkaar heeft gekregen om een schimmig proces waarbij het stemmen door de kardinalen zelf langdradig en saai is, heeft weten om te zetten in een onvervalste en spannende pageturner. Dat hij daarbij (soms) de grenzen van het geloofwaardige op zoekt en een niet nader te noemen kardinaal fungeert als een deus et machina doet daar gelukkig niets aan af. Liefhebbers van Robert Harris zullen dit boek ongetwijfeld al gelezen hebben of al aangeschaft hebben, maar ook buiten die grote schare van volgelingen die ook maar een beetje geïnteresseerd zijn in de machinaties van de Rooms-Katholiek kerk is dit boek een aanrader.

Eind september is ‘Conclave’ van Robert Harris verschenen. De Nederlandse vertaling ‘Conclaaf’ is inmiddels ook beschikbaar en wordt uitgegeven door Cargo. Deze recensie is ook verschenen bij online nieuwsmagazine Jalta.

vrijdag 28 oktober 2016

Opera 25 oktober 2016: Eva-Maria Westbroek schittert in Manon Lescaut


Nationale Opera
Manon Lescaut
(Giacomo Puccini, 1858-1924)

Eva-Maria Westbroek, Manon Lescaut
Stefano La Colla, Renato des Grieux
Thomas Oliemans, Lescaut
Alain Coulombe, Geronte di Ravoir
Alessandro Scotto di Luzio, Edmondo

Andrea Breth (regie)
Martin Zehetgruber (decor)

Koor van De Nationale Opera
Alexander Joel, Nederlands Philharmonisch Orkest
Nationale Opera & Ballet, Amsterdam

De Nationale Opera zet haar Puccini-cyclus voort met ditmaal de opera die Giacomo Puccini voor het eerst wereldfaam bezorgde: Manon Lescaut. Met niemand minder dan Eva-Maria Westbroek in de hoofdrol kan het eigenlijk niet mis gaan. Hoewel Westbroek schittert en begeleid wordt door een geweldig spelend Nederlands Philharmonisch Orkest, valt er op de enscenering van Andrea Berth het nodige af te dingen. Maar voor wie van Puccini houdt, kan met een gerust hart de gang naar Amsterdam maken.

De liefhebber van de opera’s van Puccini is de afgelopen jaren (meer dan) goed bediend door de Nationale Opera/de Nederlandse Opera. Zelf bewaar ik goede herinneringen aan La Bohème twee seizoenen geleden, maar vooral een indrukwekkende Turandot uit 2010 met een sprankelend Rotterdams Philharmonisch Orkest onder leiding van Yannick Nézet-Séguin. Daar waar in 2010 Puccini’s laatste (en niet voltooide) opera centraal stond, is het nu de beurt aan Puccini’s derde opera Manon Lescaut (1893). De opera die Puccini’s doorbraak betekende en een reeks startte van louter succesnummers. Maar belangrijker dan de constatering dat Manon Lescaut de voortzetting van de Puccini-cyclus vormt, is de terugkeer van Eva-Maria Westbroek bij de Nationale Opera. Want de enige echte operaster van Nederlandse bodem is ongetwijfeld één van de belangrijkste redenen om naar Amsterdam af te reizen. Puccini, Westbroek en de Nationale Opera zijn geen vreemden voor elkaar. In 2009 vormden zij al een gouden trio met een door critici geprezen uitvoering van La fanciulla del West. En in Manon Lescaut is dat niet anders. Westbroek weet haar publiek te betoveren en geeft – hoewel ze toch echt niet door kan gaan voor de 18-jarige Manon Lescaut – de verschillende emoties die Manon tijdens de opera doormaakt telkens met een voltreffer gestalte. Daarbij moet zonder meer gesteld worden dat Des Grieux, de geliefde van Manon, op evenzo geweldige wijze wordt vertolkt door Stefano La Colla. La Colla komt wat betreft zonder moeite in de buurt van het enthousiasme dat het publiek voor Westbroek tentoonspreidt. Ten slotte is er nog het Nederlands Philharmonisch Orkest dat – aangejaagd door de vrij onbekende maar zeer competente dirigent Alexander Joel (1971) – de muziek van Puccini laat schitteren. Een volvette doch transparant Technicolor-geluid is de perfecte begeleiding voor de krachtige stemmen van Westbroek en La Colla. Alleen Alessandro Scotto di Luzio’s Edmondo wist zich bij de start niet helemaal boven het orkest uit te werken hoewel dit gaandeweg de uitvoering ook geen probleem meer was.

Loszingen
De ingrediënten voor een perfecte Manon Lescaut lijken zich daarmee te hebben aangediend. En in veel opzichten is dit ook een zonder meer memorabele uitvoering ware het niet dat er op de enscenering en daarmee de regie van Andrea Berth het nodige valt af te dingen. Berth kennen we nog van een – als we de kritieke mogen geloven –  controversiële enscenering van Verdi’s Macbeth bij de Nationale Opera. Ook nu zet ze de boel op stelten door de vier aktes die Manon Lescaut rijk is en plaats vinden in achtereenvolgens Amiens, Parijs, Le Havre en Amerika weer te geven als de herinneringen van een in een Amerikaanse woestijn stervende Manon. Met haar geliefde Des Grieux aan haar zijde. Hoewel een innovatieve benadering, blijft het de vraag waarom je zo wil loszingen van de oorspronkelijke bedoelingen van componist en librettist. Hoewel wat betreft het libretto Puccini het ook allemaal niet zo goed wist aangezien hij meerdere librettisten heeft versleten tijdens de totstandkoming van deze opera. Berth kiest ervoor om de diverse akten in een woestijnomgeving te laten plaats vinden om het uitgangspunt van herinnering kracht bij te zetten. Een slapende Manon vergezeld van een eveneens slapende Des Grieux moeten dit uitgangspunt verder duidelijk maken. Gelukkig is de Nationale Opera zo verstandig geweest om bij de synopsis van het verhaal dit (afwijkende) uitgangspunt in een paar regels uit te leggen. Het feit dat dit nodig is, maakt  duidelijk dat deze visie allesbehalve gelukkig is.

Pijn aan de ogen
Het gekke aan deze keuze is dat je zou denken dat iedere akte start met een slapende Manon en Des Grieux, maar dit is alleen zo bij de eerste akte waar Manon – samen met haar broer en de rijke oude Geronte di Ravoir – arriveert in Amiens. Zij ontmoet daar de student Des Grieux en valt hopeloos voor hem. Ze besluiten samen te vluchten, maar worden achtervolgd door Di Ravoir. In de tweede akte blijkt dat Di Ravoir – bijgestaan door de broer van Manon – succesvol was in zijn jacht op Manon en inmiddels haar tot zijn trofee heeft maakt terwijl Manon geniet van zijn rijkdom. Toch blijft ze denken aan Des Grieux en helpt haar broer haar om ze weer samen te brengen. Ook dit gaat mis: Manon treuzelt te lang om haar sieraden op haar vlucht mee te nemen en ze wordt gearresteerd door de politie die door haar oude minnaar is gealarmeerd. Zowel bij de dramatische climax van de eerste akte (de vlucht) als de tweede akte (de arrestatie) kiest Berth voor een totaal gebrek aan dramatiek bij deze gebeurtenissen die in een soort slow motion en telkens gesymboliseerd door één figuur (in plaats van een massa aan personages) plaats vinden. Wellicht als een soort vertaling van het feit dat deze gebeurtenissen voor Manon een droom zijn, maar echt werken doet het niet. De derde en vierde akte zijn daarentegen wel gebaat bij de aanpak van Berth. Want de simpele enscenering van Le Havre waar Manon – veroordeeld tot deportatie – zich bevindt, is  krachtig. En dan tenslotte die vierde dramatische akte: Des Grieux is Manon gevolgd in haar deportatie naar Amerika en in een woestijn zijn ze eindelijk samen, maar sterven zij ook gezamenlijk. Niet alleen is de enscenering van de woestijn hier zeer passend, maar wordt handig gebruik gemaakt van het schelle licht van diezelfde woestijn. Want de vierde akte start met een prachtig instrumentaal intermezzo waardoor de zaal in duisternis gehuld is. Zodra het doek opgaat voor de finale doet het – juist door het duister – schelle licht pijn aan de ogen en geeft daarmee een extra dimensie aan de dramatiek. Zo eindigt Manon Lescaut alsnog op een wijze waar alle elementen – voor dat moment althans – in evenwicht met elkaar zijn.



Van 10 t/m 31 oktober 2016 voert De Nationale Opera ‘Manon Lescaut’ van Puccini op. Deze recensie is op basis van de slotuitvoering op 25 oktober 2016.