zaterdag 24 september 2016

Verslavende grauwheid: Gomorra, Seizoen 2


Het tweede seizoen van de realistische serie over de Camorra is zo mogelijk nog grauwer en rauwer dan het eerste seizoen. Na de val van de familie-Savastano is het aan een nieuw machtsblok, de Alliantie, om Napels uit te wringen. Hoewel Gomorra geen moeite doet om nieuwe kijkers er bij te houden, de expliciete grofheid nieuwe dieptepunten bereikt en het tweede seizoen misschien niet zo goed is als het eerste is het evenzo verslavend. 

Napels is niet meer wat het geweest is. Recent werd namelijk bekend dat de laatste van de bekende zeilvormige Le Vele-gebouwen gesloopt gaan worden. Deze gebouwen dienen zowel in de fictie van de Maffia-serie Gomorra als de realiteit van de Camorra als achtergrond voor allerhande misdadige ellende. Niet alleen architectonisch zijn er grote veranderingen gaande in de derde stad van Italië. Waar de oude orde van de Camorra grotendeels verdwenen is, wordt diens plaats ingenomen door tieners die – in tegenstelling tot hun voorgangers – al helemaal geen grenzen of een bepaalde vorm van ‘beroepsethiek’ (ahum) kennen. Zo konden lezers van de Volkskrant een tijd geleden een reportage uit Napels lezen waar duidelijk werd dat 19-jarige gastjes bendes leiden en even gewelddadig aan hun einde komen als voorheen. Maar met als verschil dat de kans nu groter is dat er tegelijkertijd (nog meer) onschuldige slachtoffers vallen. Deze regime change is terug te zien in het tweede seizoen van de Italiaanse misdaadserie Gomorra. In het spannende, rauwe en grauwe eerste seizoen volgden we de teloorgang van de machtige familie-Savastano. Aan het einde van dat seizoen was de gebroken Godfather Pietro Savastano net ontsnapt uit de gevangenis terwijl zijn voormalige rechterhand Ciro de macht overnam en en passant Savastano Jr. (Genny) neerschoot. Een nieuw tijdperk voor het criminele Napels kondigde zich al aan.

En door!
Het tweede seizoen pakt naadloos de draad op waar het eerste seizoen bleef hangen. Genny ligt in een coma in het ziekenhuis, zijn vader is op de vlucht en Ciro – ‘de Onsterfelijke’ – veegt de scherven bij elkaar om zijn macht veilig te stellen. Een dramatische gebeurtenis in de nasleep hiervan tekent Ciro waarna de serie een sprong in de tijd van een jaar maakt. Inmiddels is de nieuwe orde onder de naam ‘de Alliantie’ aan de macht en belooft een meer ‘democratisch’ misdaadimperium te zijn dan onder de Savastano-familie. Zoals verwacht mag worden, verloopt die overgang allesbehalve soepel en zijn verraad en lafhartige moord aan de orde van de dag. Dit tegen een achtergrond van een stad die de misdaad zat is en zich – gesteund door een steeds assertievere politie – steeds meer afzet tegen de criminele heersers. Genny is inmiddels uit zijn coma ontwaakt en heeft zijn eigen lucratieve drugshandel die zich rondom Rome concentreert en dankbaar gebruik maakt van zijn Zuid-Amerikaanse contacten. Don Pietro is noodgedwongen uitgeweken naar Duitsland, maar blijft op afstand stoken in de Alliantie met als doel een terugkeer naar zijn geboortegrond. Opvallend daarbij is dat de makers geen enkele moeite doen om nieuwe kijkers ‘mee te nemen’ in de wereld van Gomorra. Je valt plompverloren in de actie van het tweede seizoen, waarbij zelfs voor enthousiaste volgers van het eerste seizoen – waaronder ondergetekende – er diep in het geheugen gegraven moet worden om alle lijntjes meteen weer te kunnen leggen. Dit terwijl de gebeurtenissen uit het verleden – zoals bij alle groepen waar ‘eer’ en (vermeend) ‘onrecht’ een belangrijke drijfveer is – voor misdadigers zoals deze zo ontzettend belangrijk zijn. 

Een nieuwe, (nog) hardere orde
Opvallend daarbij is dat het tweede seizoen de eerder genoemde realiteit schaduwt. Niet verwonderlijk voor een serie die op de werkelijkheid is gebaseerd en het gelijknamige boek van Roberto Saviano die tevens aan de wieg heeft gestaan van de gelijknamige film en deze serie. Want hoewel de tienermachtsgreep in de realiteit nog niet volledig tot Gomorra is doorgedrongen, maken de twaalf afleveringen zonder meer duidelijk dat het respect voor de oude orde iets van het verleden is. Zonder aanziens des persoons komen ook hooggeplaatste maffiosi (gruwelijk) om het leven terwijl ‘burgerslachtoffers’ ook steeds meer te betreuren zijn. Met als ongekend dieptepunt de moord op een jonge dochter van één van de leiders van de Alliantie. Belangrijk element hierbij zijn de schoffies uit ‘de Steeg’ die qua hardheid de misdadige realiteit van het huidige Napels evenaren. Juist deze hardheid maakt dat het kijken van dit tweede seizoen niet altijd een pretje is en het lijkt alsof de makers erin geslaagd zijn om de (g)rauwheid nog meer aan te zetten dan bij het eerste seizoen al sprake van was. Tegelijkertijd is de verhaallijn in dit seizoen ook iets minder interessant dan het vorige, maar dat komt waarschijnlijk ook omdat het nieuwe eraf is. De personages kennen we al, nu gaat het slechts nog om de strijd terwijl het eerste seizoen ook een inkijk gaf in een voor ons gesloten en bizarre wereld. Het succes is er overigens niet minder om want dit tweede seizoen is in Italië nog beter bekeken dan de hit die het eerste seizoen al was. Het succes is dermate dat een derde en vierde seizoen al zijn aangekondigd. Daarbij is het wel de vraag hoe het met het verhaal verder moet, want de koek lijkt met het einde van dit seizoen toch wel een beetje op. Toch is ook dit seizoen (en wellicht gaat dat ook weer voor de volgende seizoenen gelden) evenzo verslavend als het eerste en kan het zomaar leiden tot een flinke aanval van binge-watching.

Nog even terug naar de Le Vele-gebouwen: helemaal verdwijnen doet deze kenmerkende architectuur overigens niet aangezien één gebouw behouden en gaat dienen als gemeentehuis. De makers van Gomorra hoeven dus niet per se te haasten met het filmen van het derde en vierde seizoen. Het decor zal nog tot in lengte van jaren beschikbaar zijn, net als – helaas – het criminele hart van Napels. 


In de maand september is het tweede seizoen van ‘Gomorra’ exclusief verkrijgbaar bij Bol.com. Vanaf 4 oktober is de serie – uitgegeven door Lumière – overal verkrijgbaar. Deze recensie is eerder verschenen bij online nieuwsmagazine Jalta.

zondag 18 september 2016

Ballet 17 september 2016: Het Nationale Ballet eert Toer van Schayk


Het Nationale Ballet
Hollandse Meesters

Toer van Schayk: Episodes van Fragmenten
Rudi van Dantzig: Vier Letzte Lieder
Hans van Manen: Adagio Hammerklavier
Toer van Schayk: Requiem

Solisten en ensemble van Het Nationale Ballet

Barbara Haveman, Machteld Baumans, Helena Rasker
Marcel Reijans, Frans Fiselier

Jeroen van der Wel (viool), Michael Mouratch (piano)
Olga Khoziainova (piano)

Toonkunstkoor Amsterdam
Matthew Rowe, Het Balletorkest
Nationale Opera & Ballet, Amsterdam

In de tachtigste verjaardag van choreograaf Toer van Schayk vindt het Nationale Ballet een welkome aanleiding om de oude meester te eren. Het prachtige maar zelden uitgevoerde Requiem is de spil van het programma Hollandse Meesters waar - naast nieuw werk van Van Schayk - ook klassiekers van Rudi van Dantzig en Hans van Manen de revue passeren. Maar de show wordt - terecht - gestolen door Van Schayk's fijnzinnige creaties. 

Eigenlijk is het een tikkeltje vreemd dat het feit dat op 28 september aanstaande Toer van Schayk tachtig jaar wordt, aanleiding is voor het Nationale Ballet om een programma grotendeels aan hem te wijden. Want een werk is goed of niet en daarom de reden om deze uit te voeren. En dat het werk van Van Schayk goed is, is boven elke twijfel verheven. Want als oud-danser, choreograaf, theaterontwerper en beeldend kunstenaar is Van Schayk al meer dan een halve eeuw aan het Nationale Ballet verbonden. Het feit dat hij al die talenten combineert, maakt dat hij een grote stempel heeft gedrukt en nog altijd drukt op het beste dansgezelschap van Nederland en één van de toonaangevende ensembles in de wereld. Een stempel dat zowel modern als klassiek is aangezien Van Schayk van alle markten thuis is. Van klassiekers zoals De Notenkraker en de Muizenkoning tot meer experimenteel werk waarbij zijn liefde voor de natuur en zijn afkeer voor oorlog, milieuvervuiling en dierenleed tot uiting komt. Zo is eigenlijk ieder seizoen wel een hommage aan Van Schayk en is daarom een dergelijk programma strikt genomen niet nodig. Maar voor iemand die zo lang is verbonden aan en zoveel betekend heeft voor het Nationale Ballet is het zonder twijfel een terecht eerbetoon. Niet zonder reden start Hollandse Meesters met het filmportret Toer van Schayk om de invloed van Van Schayk inzichtelijk te maken:


Zeldzaam mooi, zelden opgevoerd
Een dergelijk eerbetoon biedt in de regel de mogelijkheid om net dat stapje meer te zetten en daarmee die (financiële) ruimte te benutten om echt uit te pakken. En met het opnieuw opvoeren van Requiem (1990) wordt die ruimte volledig benut. Want hoewel Van Schayk's creatie naar de gelijknamige mis van Mozart een absoluut hoogtepunt in zijn oeuvre is, wordt het programma zelden uitgevoerd. Dat is overigens minder gek dan het lijkt aangezien voor deze uitvoeringen tientallen dansers, een orkest, vier solisten en een koor nodig zijn. Maar zodra zij allemaal bij elkaar komen, gebeurt er iets geweldigs. Een prachtig ballet dat volledig in overeenstemming is met een mis die - ondanks dat deze pas postuum is afgerond en niet geheel van de hand van Mozart is - als één van de hoogtepunten van de muzikale geschiedenis te boek staat. De unieke samensmelting van muziek en ballet hangt samen met Van Schayk zelf die muziek van alle kunsten als de grootste ziet. Zijn diepe respect vertaalt zich in adembenemende  choreografieën voor het volledige ensemble, terwijl hij ook ruimte schept voor intieme duetten waarbij een samenspel tussen twee ballerina's verder reliëf geeft.  Daarbij bewijst het Balletorkest - ondersteund door het Toonkunstkoor Amsterdam en vier solisten - eer aan de Dodenmis van Mozart. Bijzondere is dat dit programma ruim 50 minuten duurt en de volledige muziek van Mozart benut, maar in de beleving van het publiek voorbij vliegt. Zelfs zo dat Van Manen's choreografie Adagio Hammerklavier dat hieraan voorafgaat weliswaar slechts de helft van de tijd van Requiem in beslag neemt, maar wel langer lijkt te duren.

Meer dan één Hollandse Meester
Want dat is misschien ook meteen het gekke aan dit eerbetoon. Naast werken van Van Schayk, komen ook choreografieën van Rudi van Dantzig en Hans van Manen aan bod. Dat is minder vreemd dan het lijkt aangezien Van Schayk veel met beide heren heeft gewerkt, waarbij de samenwerking met Van Dantzig heel invloedrijk geweest. En natuurlijk hebben we met deze drie heren ook daadwerkelijk de klassieke top van de Nederlandse danswereld te pakken en is daarom de titel Hollandse Meesters meer dan treffend. Hoewel in alle eerlijkheid het programma ook had kunnen volstaan zonder Van Manen's bijdrage. Adagio Hammerklavier is een prachtige hommage aan de vertraging, geïnspireerd door de langzame interpretatie van het adagio uit Beethoven's Pianosonate Nr. 29 door Christoph Eschenbach, maar in dit programma komt dit werk - hoe goed ook - het minst tot recht. Dat geldt niet voor Rudi van Dantzig's Vier Lette Lieder. Ook hier staat een postuum werk van een grote componist centraal. Ditmaal de laatste liederen van de hand van Richard Strauss die onder de noemer Vier Letzte Lieder zijn samengebracht. Net als Van Schayk weet Van Dantzig de muziek perfect tot uiting te brengen in de choreografie. Een choreografie waar een Engels des Doods verlossing in plaats van dreiging brengt voor een viertal duo's. Ook hier is muzikaal uitgepakt met begeleiding door Het Balletorkest onder de immer goede leiding van Matthew Rowe met ditmaal als toevoeging de soliste Barbara Haveman die de liederen de juist mate van pathos meegeeft. Al moet wel in alle eerlijkheid gezegd worden dat de omvang van Het Balletorkest - met wat kleine balansproblemen - weliswaar een prachtige begeleiding vormt, maar als stand alone-uitvoering zou het wat te wensen overlaten. Mede omdat de ongekende muzikale weelde als summum van een lang en groots muzikaal leven niet altijd volledig uit de verf komt. 

Oud, maar ook nieuw
Een programma als deze is niet af zonder nieuw werk. En gelukkig is Toer van Schayk nog altijd actief en is een nieuwe choreografie van zijn hand niet alleen onderdeel van het programma, maar vormt het ook de aftrap. Episodes van Fragmenten gebaseerd op Eugène Ysaÿe's Extase voor viool en piano is wederom een toonbeeld van het belang dat Van Schayk hecht aan muziek. Hoewel strikt genomen het een pas de deux betreft zijn violist Jeroen van der Wel en pianist Michael Mouratch evenzo onderdeel van de choreografie. Zelfs zo dat wanneer de muziek daartoe aanleiding geeft de aandacht naar hen uitgaat in plaats van de dansers. Hiermee ontstaat een zeer intieme choreografie die eens te meer aantoont dat Van Schayk een multitalent is die zowel het moderne als het klassieke tot in zijn vingertoppen beheerst. Lang moge hij leven!


Ter ere van de tachtigste verjaardag van Toer van Schayk voert Het Nationale Ballet 'Hollandse Meesters' op. Een programma in het teken van werk van Van Schayk (waaronder een nieuw werk) en klassiekers van Rudi van Dantzig en Hans van Manen. 'Hollandse Meesters'  is van 14 t/m 25 september 2016 te zien bij Nationale Opera & Ballet te Amsterdam.  Deze recensie is op basis van de uitvoering op 17 september. 

woensdag 14 september 2016

Klem tussen Stalin en Poetin. 'De Tsaar van Liefde en Techno' van Anthony Marra


Een schijnbaar oneindig aantal korte verhalen en nog meer personages vormen samen De Tsaar van Liefde en Techno. De Amerikaanse schrijver Anthony Marra weet op knappe wijze de verschrikkingen van het Rusland van de 20e eeuw op lichtvoetige wijze gestalte te geven. Daarbij geholpen bij verbindingen tussen de verschillende verhalen waardoor uiteindelijk één roman ontstaat die – zeker in deze tijden van Russische invloed en aanwezigheid - een welkome literaire aanvulling is. 

Ergens halverwege De Tsaar van Liefde en Techno voert Anthony Marra (1984) ons naar de troosteloze plaats Kirovsk tientallen kilometers ten noorden van de noordpoolcirkel. In de fantasie van Marra baadt een groep bejaarden in de nadagen van het Sovjet-regime in het toepasselijk genoemde Kwikmeer. Een naam die iets weergeeft van de ellendige omstandigheden die in dergelijke Russische steden heerst. Met veel historisch gevoel stelt de verteller dat ‘haar generatie was door de hel gereisd, zodat wij in het vagevuur konden opgroeien’. Een bondigere samenvatting is er niet van het leed dat de Russische bevolking – klem tussen Stalin en Poetin – is aangedaan. Via een groot aantal korte verhalen die zich vooral in Kirovsk en Tsjetsjenië afspelen, wordt die grauwheid nog eens verder uitgewerkt. Opvallend daarbij is dat Marra op geslaagde wijze een bepaald soort lichtvoetigheid weet over te brengen waardoor je niet half depressief het boek dichtslaat. Want de personages die Marra tot leven wekt intrigeren en zijn tegelijkertijd vehikel voor de grote historische ontwikkelingen in Rusland als katalysator voor het zich op de relaties die mensen onderling aangaan. 


Retoucheren van de werkelijkheid

Startpunt voor deze bundel van korte verhalen die feitelijk toch één langgerekt verhaal vormt, is de kunstenaar Roman Markin die voor het Sovjetregime in ongenade partijgenoten wegretoucheert uit schilderijen. Daarbij is hij tevens in staat om de grote leider Stalin er voordeliger uit te laten zien waardoor er gefluisterd wordt dat Stalin zelf geporteerd is van deze Markin door diens vermogen zijn wangen te laten stralen. Maar net zoals voor iedere onderdaan van het Sovjetrijk ligt ook voor Markin altijd gevaar op de loer. Een gevaar dat al tot de dood van zijn broer heeft geleid en het leven van zijn schoonzus en zijn neefje continu in gevaar brengt. Dit leidt hem tot een kleine maar zeer symbolische rebellie: het invoegen van het gezicht van zijn broer in tal van schilderijen die hij moet retoucheren. Een schilderij waar hij een ballerina moest wegwerken, brengt hem uiteindelijk in de problemen, maar juist die ballerina en het gezicht van zijn broer vormen de bron van de hele serie korte verhalen die volgen. 


De kosmos

Het aardige daarbij is dat je met enige regelmaat afvraagt wat de link is tussen de volstrekt verschillende verhalen. Niet alleen door het wisselende vertelperspectief, maar ook de verschillende tijdsperiodes en locaties die variëren van Sint-Petersburg in de jaren dertig onder Stalin tot het heden onder Poetin. En dan komt telkens een bekend personage of – nog vaker – een object zoals een schilderij van een Tsjetsjeens landschap om de hoek kijken waardoor de banden tussen de diverse verhalen steeds duidelijker en intensiever worden. Gezien het grote aantal verhalen en personages zal het daarbij ongetwijfeld zijn dat bij het herlezen je nog veel meer verbanden gaat zien. Hoewel deze aanpak voor de lezer niet altijd makkelijk is en tot enige verwarring kan leiden, is dat een klein minpunt tegenover veel pluspunten. Het enige waar Marra wat oorspronkelijker in had kunnen zijn, is het slot van De Tsaar van Liefde en Techno. Daar komt het einde net iets te mooi samen met het begin en zijn trekken van een ietwat drakerige Hollywood happy ending te ontwaren, om nog maar te zwijgen over een geestverruimend uitstapje naar de kosmos die de lezer vooral in onbegrip in plaats van vervoering achter laat. Maar ook dat is in the end een klein minpunt voor het verder zeer geslaagde tweede volwaardige boek van de hand van Marra. Het is knap dat hij op lichtvoetige wijze de ellende van het Russische volk dat eigenlijk nooit over het eigen lot heeft kunnen beschikken en zich altijd heeft gevoegd naar ‘sterke mannen’ getooid met de titel Tsaar, Secretaris-Generaal of President. 


In juni is ‘De Tsaar van Liefde en Techno’ bij De Bezige Bij verschenen. Het betreft de Nederlandse vertaling door Hein Montijn van ‘The Tsar of Love and Techno’ van Anthony Marra. Het boek is tevens als eBook beschikbaar. Deze recensie is eerder verschenen bij online nieuwsmagazine Jalta.

zondag 11 september 2016

De Cicero-trilogie van Robert Harris


Het leven van de Romeinse staatsman en filosoof Marcus Tullius Cicero is het bewijs dat een pen machtiger dan het zwaard kan zijn. Zijn intellect en redenaarstalent ondersteunden de Romeinse Republiek in haar donkerste dagen, maar leidden tevens tot zijn eigen ondergang. Met zijn drieluik aan romans brengt Robert Harris Cicero overtuigend en meeslepend tot leven en vestigt hij zich als een waardig opvolger van Robert ‘I, Claudius’ Graves

Dat Robert Harris (1957) – bekend van onder andere Fatherland, Enigma, The Ghost en An Officer and a Spy - een begenadigd schrijver is, mag geen verrassing zijn. Het zal daarom niet verbazen dat het grootste deel van zijn boeken verfilmd zijn of de basis vormen voor een miniserie. Zijn achtergrond als journalist en reporter klinkt door in de onderwerpen van zijn romans die vrijwel altijd een historische context hebben, zowel fictief als buitengewoon trouw aan de werkelijkheid. Zo is zijn voorlaatste boek An Officer and a Spy een getrouwe romanversie van de infame Dreyfuss-affaire die Frankrijk rondom de vorige eeuwwisseling in haar greep hield. Daarentegen is zijn Fatherland – verfilmd met in de hoofdrol onze eigen Rutger Hauer - historisch georiënteerd, maar dan wel een alternatieve geschiedenis waarbij Duitsland uit de Tweede Wereldoorlog als overwinnaar is gekomen. Zijn Romeinse roman Pompeii neemt de uitbarsting van de Vesuvius als gegeven voor een verder fictief verhaal, maar ontbrandde wel zijn interesse voor de Romeinen. Een interesse die verder versterkt werd door Rubicon, Tom Holland’s beschrijving van de nadagen van de Romeinse Republiek en de opkomst van Julius Caesar. Door Rubicon raakte Harris geïntrigeerd door één van de hoofdrolspelers uit die periode: Marcus Tullius Cicero (106 – 43 voor Christus). Cicero is de geschiedenis ingegaan als staatsman én filosoof die tijdens de turbulente periode dat de Romeinse Republiek overging in een keizerrijs een hoofdrol speelde. Een hoofdrol niet door aan het hoofd van legioenen te staan, maar door de overtuigingskracht van zijn woorden. Een periode die in de ogen van Harris zo belangwekkend en verstrekkend is geweest in de geschiedenis van de mensheid dat pas met de Tweede Wereldoorlog en de aanloop naar die allesverwoestende oorlog toe een soortgelijk kantelpunt zich heeft afgespeeld. Het heeft Harris verleid om in 2006 Imperium te publiceren, zijn eerste roman over Cicero. In 2009 verscheen het vervolg Lustrum (in de Verenigde Staten en Italië verschenen als Conspirata) en eind vorig jaar was daar het slotstuk Dictator waarvan afgelopen juni de paperbackversie verschenen is. 

Weer de opkomst en ondergang van Caesar?
Hoewel meteen bij de start van de trilogie in 2006 Robert Harris kon rekenen op lovende recensies heb ik tot zeer recent zijn Cicero links laten liggen. Want hoewel kennis over het leven van Cicero – in markante tegenstelling met zijn naamsbekendheid - nu niet bepaald gemeengoed is, speelt een groot deel van zijn leven af tijdens één van de bekendste periodes uit de wereldgeschiedenis: de opkomst en ondergang van Julius Caesar. Een onderwerp dat niet bepaald onderbelicht gebleven zowel op het vlak van non-fictie als fictie, waar misschien de uitmuntende HBO-serie Rome nog wel het meest treffende voorbeeld is en Cicero – vertolkt door David Bamber – een belangrijk personage vormde. Juist daarom heb ik de Cicero-boeken altijd aan me voorbij laten gaan, maar met het verschijnen van het derde en laatste deel Dictator ben ik gestart met Imperium. En het enige waar ik spijt van heb, is dat ik niet eerder begonnen ben aan deze magistrale trilogie. Het feit dat de ruim 1.200 pagina’s in nog geen twee weken voorbijvlogen spreekt boekdelen. Het bijzondere daarbij is dat hoewel – zeker in Lustrum en Imperium – de (over)bekende episodes uit de nadagen van de Romeinse Republiek de revue passeren Harris die juist sporadisch behandelt en zich richt op Cicero en de gebeurtenissen in zijn leven die een stuk minder bekend zijn dan de opkomst van Caesar, het eerste triumviraat (Pompeius, Caesar en Crassus), de moord op Caesar, het tweede triumviraat (Octavianus, Marcus Antonius en Lepidus) en de vestiging van het Romeinse Keizerrijk onder Augustus. Harris neemt je overtuigend mee in de mores van de Romeinse Republiek en schetst in Imperium de opkomst van de niet-aristocratische Cicero door het aanklagen van Verres, de corrupte gouverneur van Sicilië. In Lustrum bereikt Cicero zijn hoogtepunt wanneer hij tot consul verkozen wordt en tot twee keer toe de Republiek weet te redden van de opstand onder leiding van Catilina. In Dictator wordt de Republiek overschaduwd door de opkomst van Caesar die uiteindelijk eindigt in een burgeroorlog waar Cicero de (verliezende) kant van Pompeius kiest en Caesar uiteindelijk tot dictator wordt uitgeroepen om vervolgens door een grote groep senatoren in het Theater van Pompeius (dat dienst deed als Senaat nadat het oorspronkelijke gebouw uitgebrand was tijdens de opstand van Publius Clodius Pulcher, een episode die ook tot in detail in deze trilogie uit de doeken word gedaan) op de Iden van maart met tientallen messteken om leven gebracht wordt. Anderhalf jaar later wordt Cicero verpulverd in de machtsstrijd om Caesar op te volgen en is zijn executie het lijm dat het (ongemakkelijke) triumviraat van Octavianus, Marcus Antonius en Lepidus bijeen moet houden. 

De Robert Graves van de 21e eeuw
Het knappe aan deze trilogie is dat hoewel volledig geborgd in – voor zover mogelijk – historische feitelijkheid het leven van Cicero als een trein leest en daarmee een historische pageturner is. Om Cicero tot leven te brengen, geeft Harris het woord aan Cicero’s secretaris Tiro die het leven van zijn meester aan het papyrus heeft toevertrouwd. Harris lijkt hiermee navolging te geven aan de grootmeester van de Romeinse roman Robert Graves. In diens fictieve “autobiografie” I, Claudius (1934) en Claudius the God (1935) is keizer Claudius (de voorlaatste keizer van de Julisch-Claudische dynastie en verre erfgenaam van Caesar) aan het woord en beschrijft hij zijn wonderlijke leven waarmee hij tegelijkertijd de opeenvolgende regeringen van Augustus, Tiberius en Caligula tot leven brengt. Niet alleen door de vertelvorm, maar juist door de wijze waarop hij Cicero tot leven brengt is Robert Harris een waardig opvolger van Robert Graves. Door zijn schrijftalent en overduidelijke fascinatie voor de nadagen van de Romeinse Republiek in het algemeen en Cicero in het bijzonder weet hij op een meeslepende wijze dat leven gestalte te geven. De woorden spatten van de pagina’s af. Woorden die het redenaarstalent, de staatsrechtelijke overtuigingen maar ook de liefde voor roddel en achterklap en de blinde ambitie om tot consul gekozen te worden van Cicero tot leven brengen. Zo ga je gaandeweg tijdens het lezen steeds meer houden van deze tegenstrijdige einzelgänger die de Romeinse senaat en het volk om zijn vingers weet te winden, maar evenzo levensgevaarlijke vijanden weet te maken en grote triomfen afwisselt met diepe dalen in zowel zijn politieke als persoonlijke leven. Het behoeft geen nadere toelichting dat de Cicero-trilogie van Robert Harris een ongekwalificeerd succes is en het verdient om gelezen te worden. Want na het lezen van de eerste pagina’s is er – gelijk Caesar toen hij de Rubicon overstak – geen weg meer terug: alea iacta est.

In 2015 is ‘Dictator’ het laatste deel van de Cicero-trilogie van Robert Harris verschenen. In 2006 en 2009 verschenen respectievelijk ‘Imperium’ en ‘Lustrum’ . De trilogie is tevens in een Nederlandse vertaling verschenen terwijl de paperback-versie in juni op de markt gekomen is. Deze recensie is eerder verschenen bij online nieuwsmagazine Jalta.

vrijdag 2 september 2016

Harry Potter is terug! 'Harry Potter and the Cursed Child' van J.K. Rowling


Met Harry Potter and the Deathly Hallows leek een definitief einde te zijn gekomen aan de avonturen van Harry Potter. En op enkele uitstapjes naar de wereld van Harry Potter na leek de toekomst van J.K. Rowling als schrijver daarbuiten te liggen . The Casual Vacancy en vooral de Cormoran Strike-serie onder haar pseudoniem Robert Galbraith maakten dit al duidelijk. Maar dat is buiten de aantrekkingskracht van Harry Potter gerekend, die blijkbaar ook op J.K. Rowling zelf effect heeft. Want met het toneelstuk Harry Potter and the Cursed Child en de uitgave van de scriptversie betreedt Rowling – alhoewel voorzichtig – wederom de magische wereld van Harry, Hermione en Ron. Grote vraag is daarbij natuurlijk of zij heeft kunnen voldoen aan de hoge verwachtingen of dat ze het beter bij de zeven boeken had kunnen laten. 

Op het hoogtepunt stoppen is voor velen niet weggelegd, zeker niet wanneer het ene succes op het andere volgt. In het geval van de Harry Potter-reeks van J.K. Rowling werd dat succes met ieder nieuw boek alleen maar groter. Zo zijn uiteindelijk bijna een half miljard exemplaren van de zeven boeken verkocht, hebben de acht films (het laatste boek is in twee delen verschenen) miljarden opgeleverd en is Harry Potter een vast onderdeel van de hedendaagse popular culture geworden. Hoewel ieder nieuw brokje Harry Potter als een warm broodje over de plank gaat, heeft J.K. Rowling zich niet laten verleiden tot het schrijven van een nieuw Harry Potter-avontuur. Dat wil niet zeggen dat ze die wereld achter haar heeft gelaten zoals Fantastic beasts and where to find them aantoont en waarvan de filmversie met Eddie Redmayne in november verschijnt. En in alle eerlijkheid: de zeven boeken die samen het Harry Potter-epos vormen, leken dermate definitief dat ieder nieuw avontuur alleen maar kan tegenvallen. Ga maar na: Lord Voldemort is definitief vernietigd terwijl de epiloog van het laatste boek Harry, Hermione en Ron negentien jaar later toont. Ditmaal zelf met kinderen die richting Hogwarts vertrekken waardoor de cirkel compleet is. Maar blijkbaar kruipt het bloed waar het niet gaan kan en heeft J.K. Rowling toch weer een nieuw Harry Potter-verhaal geschreven. Een cynicus zou kunnen stellen dat Rowling nog wat extra inkomen wil generen, maar gezien het enorme succes dat zij zowel met Harry Potter als daarbuiten heeft, lijkt dat een weinig aannemelijke aanleiding voor Harry Potter and the Cursed Child. Daarbij is het – strikt genomen – ook geen nieuw boek, maar een tweedelig toneelstuk dat op 30 juli in première is gegaan in Londen. Een dag later is de scriptversie gepubliceerd die – hoe kan het ook anders – meteen een bestseller bleek. Hoewel de Nederlandse vertaling nog tot 19 november op zich laat wachten, is de Engelstalige versie natuurlijk ook gewoon in Nederland verkrijgbaar en zullen de meeste Harry Potter-fans inmiddels terugkijken op een fijne terugkeer in de wereld van Harry Potter. Want laat één ding duidelijk zijn: dit nieuwe verhaal is – ondanks de beperkingen van een toneelversie – een groot succes en vormt een verrijking op de bestaande canon. 

Albus en Scorpius (en Delphi)
Het aardige is dat The Cursed Child begint daar waar The Deathly Hallows eindigde: op Platform 9 ¾ van King’s Cross Station in Londen. Harry en Ginny zijn getrouwd en hebben inmiddels drie kinderen (James, Albus en Lily) terwijl Rose en Hugo het resultaat zijn van de samenkomst van Ron en Hermione en zelfs Draco Malfoy mee doet in het kindergeluk met zijn zoon Scorpius. Wat totaal anders is, is de leeservaring, want wie een boek verwacht zoals de zeven voorgaande avonturen komt bedrogen uit. The Cursed Child is bedoeld als toneelstuk en de ‘boekversie’ is niet meer of minder dan het script van het toneelstuk. Zelfs een aantal aanwijzingen om de context voor de acteurs te schetsen zijn er in opgenomen. Hoewel bij het lezen van de eerste pagina’s dit tot enige verwarring leidt - immers je verwacht toch stiekem een heel nieuw Harry Potter-boek - raak je dermate snel gewend dat het uiteindelijk the next best thing is. Daarbij heeft Rowling – samen met medeschrijvers Jack Thorne en John Tiffany – er zich niet makkelijk vanaf gemaakt. Zo is The Cursed Child een prequel nog een rehash. Al bevat het verhaal wel degelijk prequel-achtige momenten en worden belangrijke scenes uit met name Harry Potter and the Goblet of Fire nog eens dunnetjes overgedaan. Het laat zich daarmee al raden: in The Cursed Child is er sprake van tijdreizen. Niet verwonderlijk gezien het bestaan van de zogenaamde Time-Turner waarmee Hermione in The Prisoner of Azkaban op meerdere plekken tegelijk kon zijn. Door deze mogelijkheid tot tijdreizen lijkt het definitieve einde van Lord Voldemort plots een stuk minder definitief en is het aan een nieuwe trio om hun magische wereld te redden. En zie daar de geboorte van een nieuw trio: Albus, Scorpius en Delphi.

Veelal hetzelfde, maar toch altijd anders
Want natuurlijk is het ook nu een drietal waar het om draait. En gelijk hun voorgangers Harry, Hermione en Ron zijn het de beste vrienden. Althans twee ervan, maar dan wel de minst voor de hand liggende vrienden: Harry’s lastige zoon Albus en Draco’s zachtaardige oogappel Scorpius. Hun duo wordt uiteindelijk een trio door Delphi, het nichtje van de vader van Cedric die in The Goblet of Fire zo tragisch om het leven kwam. Zonder al te veel te verraden, heeft The Cursed Child dezelfde energie als de andere Harry Potter-verhalen en wordt het beperkte medium van een toneelscript gecompenseerd door de blik in de toekomst en dus hoe het met Harry, Hermione en Ron, maar ook al die andere personages is vergaan. Stiekem is het dan weer erg leuk om door het wel erg voor de hand liggende en eigenlijk te makkelijke middel van tijdreizen meer te weten te komen over die fatale avond waar Harry daadwerkelijk Harry Potter werd en teruggeworpen te worden naar één van de beste boeken uit de serie. Het zal daarbij overigens voor een aantal fans nog best even slikken zijn om hun favoriete karakter als volwassene te accepteren. Want het volwassen leven van de jonge helden van toen is allesbehalve rooskleurig. Tegelijkertijd geeft dat weer diepte en kleur aan het verhaal en daarin ligt het unieke karakter van deze toevoeging op de Harry Potter-canon besloten. Laat er dus geen misverstand over bestaan: voor allen die ook maar enigszins verstrikt zijn geraakt in de wondere en magische wereld van Harry Potter is The Cursed Child – maar hoe kon het ook eigenlijk anders – een must-read.

Op basis van een nieuwe Harry Potter-verhaal van J.K. Rowling, Jack Thorne en John Tiffany heeft Jack Thorne het tweedelige toneelstuk ‘Harry Potter and the Cursed Child’ geschreven. Het toneelstuk is in première gegaan in het Palace Theatre te Londen op 30 juli. De dag erna is het script uitgegeven. Op 19 november verschijnt de Nederlandse vertaling ‘Harry Potter en het Vervloekte Kind’.

woensdag 31 augustus 2016

Concert 30 augustus 2016: Blomstedt thuis in Bruckner


Bach: Vioolconcert in E
Bruckner: Symfonie Nr. 5

Vilde Frang (viool)
Herbert Blomstedt, Gewandhausorchester Leipzig
De Doelen, Rotterdam

Wie het eminente Gewandhausorchester Leipzig in Nederland in  levende lijve had willen zien en horen, kreeg daartoe maar één enkele kans: gisteren gaven zij een eenmalig concert in De Doelen in Rotterdam. Onder leiding van hun voormalig chef-dirigent en huidig eredirigent Herbert Blomstedt brachten zij de complexe Vijfde Symfonie van Bruckner tot leven. En als bonus het 'Italiaanse' vioolconcert van Bach door de talentvolle Noorse violiste Vilde Frang. 

Dat Nederland een Mahler-traditie is inmiddels een alom bekend gegeven, maar ook de symfonieën van Anton Bruckner (1824-1896) kunnen rekenen op bovenmatige interesse. Maar in markante tegenstelling tot Mahler blijft de populariteit van de Oostenrijkse Bruckner nog altijd beperkt tot Centraal-Europa, Duitsland en Nederland. De afgelopen week gaf - weliswaar vertekend - een aardig beeld van die populariteit: vorige week speelde het Koninklijk Concertgebouworkest onder leiding van Daniele Gatti nog de Vierde Symfonie terwijl afgelopen maandag Bernard Haitink het European Union Youth Orchestra (EUYO) bewoog tot een imponerende uitvoering van Symfonie Nr. 7. En gisteravond was het de beurt aan Rotterdam waar het Gewandhausorchester Leipzig te gast was met Bruckner's Vijfde Symfonie. Evenzo opvallend is dat - met alle respect voor jongere generaties dirigenten zoals Gatti, Thielemann, Albrecht en Venzago die zich aan Bruckner wagen - deze in zijn eigen tijd onbegrepen componist toch vooral het domein is van de oudste generatie dirigenten. De meest eminente Bruckner-vertolkers waren of zijn tijdens de grootste Bruckner-successen op hoge leeftijd. Bruckner-specialist Günter Wand ging de symfonieën pas na zijn zestigste dirigeren terwijl zijn meest indrukwekkende opnames met het NDR Sinfonieorchester en de Berliner Philharmoniker op nog veel latere leeftijd tot stand kwamen. Hetzelfde geldt eigenlijk ook voor Herbert von Karajan die in zijn laatste jaren nog voortreffelijke uitvoeringen van de Zevende en Achtste Symfonie opnam met de Wiener Philharmoniker. Sterker nog: de opname van de Zevende is meteen zijn allerlaatste opname gebleken. Alhoewel Bernard Haitink in de jaren zestig al een toonaangevende Bruckner-cyclus voor Philips opnam met het (toen nog niet Koninklijke) Concertgebouworkest, viert hij nu op hoge leeftijd grote successen met zijn doorvoelde interpretaties van Bruckner's symfonieën. De lijst gaat maar door, want dit geldt evenzo voor dirigenten zoals Harnoncourt en Giulini. En dan hebben we daar Herbert Blomstedt die de afgelopen jaren een zeer goed ontvangen cyclus heeft opgenomen met het Gewandhausorchester Leipzig. Een dag nadat de 87-jarige Haitink het EUYO in Bruckner leidde, wist de 89-jarige Herbert Blomstedt de Rotterdamse Doelen in extase te brengen met een indrukwekkende uitvoering van de Vijfde Symfonie.

Noors-Zweeds Bach-feestje
Ondanks dat het niet ongebruikelijk is om de Vijfde Symfonie alleen te programmeren - Harnoncourt en Haitink volgden deze lijn de afgelopen jaren bij het Koninklijk Concertgebouworkest - heeft Blomstedt hier een andere kijk op door aan het programma het Vioolconcert in E toe te voegen. Geïnspireerd door de vioolconcerten van Vivaldi componeerde Johann Sebastian Bach (1685-1750) een aantal vioolconcerten waaronder dit Vioolconcert. Het is - zoals we van Bach gewend zijn - een ongekend stralend werk waar viool en orkest met in plaats van tegen elkaar spelen. Je moet wel een enorme zuurpruim zijn om dit werk niet te waarderen. De in Verenigde Staten geboren Zweed Blomstedt had voor de gelegenheid de Noorse violiste Vilde Frang (1986) meegenomen. Haar muzikale ster is op dit moment rijzende door het podium te delen met tal van prominenten orkesten, dirigenten en andere solisten zoals de Wiener Philharmoniker, Bernard Haitink en Anne-Sophie Mutter. Haar recente opname van de vioolconcerten van Korngold en Britten versterken dit beeld. In Bach's Vioolconcert stelde zij allerminst teleur door de fijne rozige klank van haar uit 1864 stammende viool van Jean-Baptiste Vuillaume. De chemie tussen Frang, Blomstedt en een selectie van het Gewandhausorchester was evident. De uitvoering deed de muziek nog meer stralen waardoor het al relatief korte vioolconcert (met name het nog geen drie minuten durende maar opwindende slotdeel) voorbij vloog. 

Sereen met Bruckner
Na dit fijne voorspel werd het tijd voor de muzikale hoofdmaaltijd: Bruckner's Vijfde Symfonie. Hoewel niet zijn langste symfonie is het ongetwijfeld zijn meest complexe en een werk dat je als luisteraar niet meteen in zijn volledigheid kan bevatten. Een kwalificatie die ook geldt voor dirigenten en daarmee misschien wel het beste voorbeeld is waarom juist dirigenten op hoge leeftijd zulke uitmuntende Bruckner-vertolkers zijn. Opvallend was dat de nog immer kwieke Blomstedt zich zo thuis voelde in Bruckner dat hij vol overtuiging stiltes in de uitvoering liet vallen en duidelijk zijn eigen accenten stelde. Soms letterlijk door het spelen van bepaalde noten nog meer staccato te laten zijn dan gebruikelijk. Het maakte duidelijk dat het voor Blomstedt niet gaat om effectbejag maar om de muziek van Bruckner zo natuurlijk mogelijk ten gehore te brengen. En dat is bij de Vijfde nog een hele klus omdat deze symfonie die ongekend kleinschalig en "stil"  van start gaat langzamerhand opbouwt en alle ruimte geeft aan de ontwikkeling van de thema's. Thema's die - meer dan in de andere symfonieën - in de diverse delen op verschillende wijze terugkomen, nog het meest pregnant bij het begin- en slotdeel die vrijel gelijk starten. Dat Blomstedt daarbij kan rekenen op de kwaliteit van één van de meeste eminente en oudste orkesten ter wereld versterkt dit alleen maar. De verbondenheid tussen orkest en dirigent is ook niet zo verwonderlijk aangezien Blomstedt van 1998 tot 2005 de chef-dirigent was en nu door het leven gaat als eredirigent van het Gewandhausorchester. Het orkest dat afgelopen jaren tot nieuwe hoogten is gebracht door Riccardo Chailly en vanaf 2017 onder leiding komt te staan van Andris Nelsons die aantreedt als de 'Gewandhauskapellmeister'. Dat laat onverlet dat het niet zorgeloos genieten is van Bruckner. De vreemde en soms ongemakkelijke overgangen alsmede de complexiteit van deze symfonie die contrapuntisch is gecomponeerd vraagt veel van de luisteraar. Maar de volhouder wordt beloond door een muzikale taal die volstrekt oprecht is en doordrenkt van een expressie van diepgevoelde religie aan de kant van Bruckner. Het is daarom ontzettend jammer dat dit geweldige orkest Nederland slechts eenmalig aandoet, want concerten als deze doen verlangen naar meer. 

Deze zomer en najaar staat voor het Gewandhausorchester Leipzig in het teken van de 'Festival-Tournee 2016' waarmee tegelijkertijd gevierd wordt dat het orkest al een eeuw op tournee gaat. Van 26 augustus tot en met 20 november speelt het orkest in Edinburgh, Londen, Rotterdam, Salzburg, Luzern, Essen en Frankfurt. Op 30 augustus was het orkest te gast in De Doelen in Rotterdam. 

dinsdag 30 augustus 2016

Concert 29 augustus 2016: Jong geleerd, Haitink gedaan


Robeco SummerNights 2016

Haydn: Sinfonia Concertante
Bruckner: Symfonie Nr. 7

Lorenza Borrani (viool), Paul Watkins (cello)
Kai Frömbgen (hobo), Stefan Schweigert (fagot)

Bernard Haitink, European Union Youth Orchestra
Concertgebouw, Amsterdam

Onder toeziend ook van Prinses Beatrix stampten en joelden de jonge talenten van het European Union Youth Orchestra elkaar, maar vooral hun eredirigent Bernard Haitink toe. En dat is niet verwonderlijk aangezien de emimente maestro het opleidingsorkest verleidde tot een geweldig concert gisteravond in het Amsterdamse Concertgebouw. Van lichtvoetig en lyrisch in Haydn tot imposant en meeslepend in Bruckner: dit concert had het allemaal. 

Het had niet veel gescheeld of dit concert van het European Union Youth Orchestra (EUYO) was niet alleen het afsluitende concert geweest in een Europese tour ter gelegenheid van het veertigjarig bestaan van het orkest, maar tegelijkertijd ook het allerlaatste concert ooit. Want in mei - toen deze tour al lang en breed vast lag - kwam het bericht dat de Europese Unie de subsidie voor het orkest zou stopzetten waarmee per september een effectief einde zou komen aan dit opleidingsorkest voor jonge talenten van 16 tot 26 jaar voortkomend uit de lidstaten van de Europese Unie. Een grote protestbeweging vanuit de culture sector, in Nederland onder andere ondersteund door het Koninklijk Concertgebouworkest, kwam op gang, terwijl in het Europees Parlement op initiatief van een Europees Parlementslid uit Malta handtekeningen werden verzameld tegen dit voornemen. De acties hadden succes want de Europese Commissie liet recent weten dat een oplossing was gevonden waardoor het EUYO de activiteiten kon doorzetten. Zo werd een feestelijke tournee die verworden was tot een afscheidsronde alsnog een gelegenheid tot jubel. In de woorden van de Europese Commissie dient het orkest een "Europese rol" te hebben. Wat dat precies is en of een orkest daar aan kan voldoen of niet laat onverlet dat het jaarlijks samen komen van 120 talenten die in een seizoen tot één orkest gevormd worden en tegelijkertijd een waardevolle opleiding doorlopen, is ongetwijfeld een verrijking voor de Europese muzikale cultuur.  Dit wordt nog eens onderstreept door het dat dat het Chamber Orchestra of Europe voortgekomen is uit voormalige leden van het EUYO. Ene Claudio Abbado - een voormalig lid en aanvoerder van het toen nog geheten European Community Youth Orchestra - startte zijn carrière zo. 


Haydn: lyrisch en lichtvoetig
Nu bieden resultaten uit het verleden in de regel weinig houvast voor de toekomst, maar aangezien het orkest deze zomer topdirigenten zoals Vasily Petrenko en Bernard Haitink wist te strikken alsmede solisten zoals de pianospelende zussen Labècque kan het in de basis niet verkeerd zijn. Bij de weinig uitgevoerde Sinfonia Concertante van Joseph Haydn (1732-1809) bleek dat het met de muzikale kwaliteit van het EUYO dik in orde is. Dit werk waar vier solisten (viool, cello, hobo en fagot) het "opnemen" tegen de rest van het orkest is een luchtig, maar pakkend werk dat op lichtvoetige en lyrische wijze door het orkest ten gehore werd gebracht. Het EUYO kon daarbij rekenen op solisten van goed kaliber voortkomend uit het Chamber Orchestra of Europe, de Berliner Philharmoniker en het Emerson Kwartet. Met veel aplomb werd de directie van Bernard Haitink gevolgd. Dit tot groot genoegen van het publiek in de grote zaal onder toeziend oog van HKH Prinses Beatrix die ongetwijfeld aanwezig was ter ondersteuning van dit muzikale initiatief en natuurlijk het feit dat Bernard Haitink op de bok stond. Want met Bernard Haitink heeft het EUYO een eredirigent die zonder twijfels één van 's werelds grootste dirigenten is en - gezien de reactie van het Concertgebouw-publiek - nog altijd veel fans in Nederland heeft. Het is van Haitink dan ook bekend dat hij graag met jong talent werkt en daarom tijd vrij maakt om jonge musici te helpen in hun muzikale ontwikkeling. Een jeugdorkest dat een zaal als het Concertgebouw afgeladen vol krijgt is ongetwijfeld een unicum. Een unicum dat - laten we eerlijk zijn - toch vooral gelegen ligt in het feit dat een levende legende voor het orkest staat.

Bruckner: imponerende treurnis en verlossing
Toch doet deze constatering geen recht aan de kwaliteit van het orkest. Want op een aantal onvolkomenheden bij met name de koperblazers na vormen de leden van het EUYO aan het einde van dit seizoen één geheel dat op hoog niveau muziek maakt. Daarbij heeft het EUYO als voordeel ten opzichte van "reguliere" orkesten dat concerten zoals deze bijzonder zijn. Het feit dat deze musici de kans hebben zich te laven aan de kennis en ervaring van de inmiddels 87-jarige Haitink versterkt niet alleen maar het plezier maar ook het gevoel van toewijding. Dit was zonder meer merkbaar in de uitvoering van de Zevende Symfonie van Anton Bruckner (1824-1896). Een bijzondere symfonie in het oeuvre van Bruckner aangezien het de enige symfonie die tot ongebreideld enthousiasme leidde bij zowel publiek als critici. Gelijk de overige symfonieën van Bruckner is het een imponerend geheel, niet alleen door de lengte van ruim een uur, maar ook de wijze waarop de muziek zich ontwikkelt. Een ontwikkeling die overigens verre van vrolijk is aangezien het Adagio is geschreven in de periode dat Bruckner's muzikale held Richard Wagner overleed. De pijn is daarmee goed te voelen en het vraagt veel van een orkest om dit rijkgeschakeerde werk in het algemeen, maar het prachtige Adagio in het bijzonder op goede wijze te vertolken. Onder ferme leiding van Bruckner-specialist Haitink - die overigens deze zelfde symfonie komend seizoen bij het Koninklijk Concertgebouworkest leidt - slaagde het EUYO hier uitstekend in. Want niet alleen de treurnis van het Adagio, ook de verlossing in de overige delen kwam imponerend tot stand en wist de aandacht van het publiek er van begin tot einde volledig bij te houden. Een welgemeend en terecht groot applaus volgde terwijl het orkest zelf in de joelstand ging om de verschillende secties die door Haitink werden uitgelicht toe te juichen. Maar het grootste applaus vanuit zowel de zaal als het orkest was gereserveerd voor Haitink zelf die daar - zoals we hem inmiddels kennen - niet altijd even makkelijk mee omgaat. Maar dit eerbetoon was zonder meer terecht, want wie anders kan jonge musici inspireren tot grootse muzikale daden. Laten we hopen dat het Haitink nog lang gegeven is zo'n rol te spelen, het muzikale leven is erbij gebaat. 

Het concert terugluisteren via Radio 4 kan hier. Via ConcertgebouwLive en het YouTube-kanaal van het Concertgebouw kan het concert ook teruggekeken worden:

Sinfonia Concertante van Haydn: 


Symfonie Nr. 7 van Bruckner:


In juli en augustus vinden in het kader van de Robeco SummerNight een reeks zomerconcerten plaats. Op 29 augustus maakte het European Union Youth Orchestra onder 'conductor laureate' Bernard Haitink haar opwachting. 

zondag 28 augustus 2016

Hoop en vrees op de vierkante kilometer. 'Jerusalem. The Biography' van Simon Sebag Montefiore


Als hoofdstad van drie religies en een indrukwekkende en tegelijkertijd beangstigende geschiedenis die nog altijd gaande is, ontlokt Jeruzalem bij haar bezoekers uiteenlopende gevoelens en observaties. Maar hoogstwaarschijnlijk verbaast vrijwel iedere bezoeker zich erover dat het 'centrum van de wereld' feitelijk niet meer omvat dan een enkele vierkante kilometer. Het belang van dit beperkte grondgebied is echter immens veel groter. De heerlijk leesbare en - met betrekking tot dit onderwerp een bijna onmogelijk toe te kennen eigenschap - objectieve geschiedenis geschreven door Simon Sebag Montefiore  is daarmee het standaardwerk over deze stad van hoop en vrees.

Vanaf ongeveer 2.800 voor Christus is de stad die we nu als Jeruzalem kennen al bewoond geweest. Hiermee is Jeruzalem één van de oudste doorlopend bewoonde steden ter wereld. Tegelijkertijd bevinden de belangrijkste symbolen van bijna vijf millennia geschiedenis zich op het beperkte grondgebied dat we nu de Oude Stad noemen en slechts een enkele vierkante kilometer beslaat. Niet alleen de beperktheid van omvang valt op, maar ook het feit dat de gebouwen die zo bepalend zijn voor de historische en religieuze waarde van de stad feitelijk relatief nieuw zijn, kan bij menig bezoeker tot een deceptie leiden. Wie echter de biografie door Simon Sebag Montefiore (1965) van het kruispunt van religies en beschavingen en daarmee het 'centrum van de wereld' leest, maar Jeruzalem nog niet bezocht heeft, kan zich hierop voorbereiden. Want de geschiedenis van de meest besproken stad ter wereld is tegelijkertijd de geschiedenis van een stad waar de meeste strijd over is gevoerd en tot op de dag die strijd - ditmaal tussen Israël en de Palestijnen - voortduurt. Een strijd die ervoor gezorgd heeft dat de stad ontelbare malen van 'eigenaar' is gewisseld en waar vrijwel gebouw de plaats heeft ingenomen van een belangwekkende voorganger. Een bezoek aan Jeruzalem is daarom zonder meer een bezoek aan de geschiedenis, maar dan wel een geschiedenis is waarbij de symboliek van de gebouwen een belangrijkere rol speelt dat de gebouwen zelf. 

Een objectieve biografie
Een stad met een zo rijke, maar tegelijkertijd omstreden geschiedenis leent zich maar moeilijk tot het schrijven van één omvattende biografie. Daarbij is het nog veel lastiger om een vorm van objectiviteit te benaderen gezien het uiteenlopende belang dat aan de stad door een bijna oneindig aantal religies, landen, bevolkingsgroepen en historici wordt toegekend. Dat het Montefiore is gelukt om niet alleen een geschiedenis van bijna 50 eeuwen in een boek van ruim 500 pagina's te vangen en daarbij - zoals breed is opgemerkt in de besprekingen van het boek dat in 2011 is verschenen - tegelijkertijd een objectieve historie te schrijven. Al moet wel gezegd worden dat de filantroop Moses Montefiore en zijn betekenis voor de stad best wel prominent in het boek naar voren komt waarbij het toevalligerwijs de oudoom van de schrijver betreft. Overigens doet hij dit in alle openheid en geeft deze familiale band extra kleur aan de levende geschiedenis van Jeruzalem. De constatering dat Montefiore zowel een omvattende als objectieve historie van Jeruzalem heeft geschreven  rechtvaardigt alleen al dat dit werk tot de standaardwerken over dit historisch en religieus kruispunt   gerekend mag worden. Maar daar blijft het niet bij. Montefiore heeft een ontzettend fijne pen en een neus voor het aansprekend vertellen van een verhaal. Dat deze fervente aanhanger van de monarchie het niet kan nalaten om een relatief Anglocentrisch gezichtspunt in te nemen doet daar in wezen niet veel aan af. Want wie met ongekende flair een geschiedenis kan schrijven waar de belangrijkste wereldmachten van de afgelopen duizenden jaren hun opwachting maken, doet ongetwijfeld iets goed. In een fijn proza komen de verschillende opeenvolgende machthebbers van Jeruzalem aan bod: Jodendom, Heidendom, Christendom, Islam, Kruistochten, Mammelukken, Ottomanen, Kolonialisme en Zionisme. 

Duizelingwekkend
Het grote nadeel van werken zoals deze is dat het aantal namen en gebeurtenissen dat de revue passeert zo groot is dat maar weinig echt blijft hangen en enige voorkennis geboden is. Gek genoeg geldt dat duizelingwekkende aantal zeker ook voor dit werk, maar weet Montefiore op een toegankelijke wijze de geschiedenis van Jeruzalem inzichtelijk te maken, waardoor die voorkennis handig, maar zeker niet noodzakelijk is. Met zijn oog voor het menselijke - zeg maar rustig human interest-aspect - weet hij die veelkleurige geschiedenis tot leven te wekken en tegelijkertijd de brede ontwikkelingen in de geschiedenis te schetsen. Daarbij weet Montefiore in de meeste gevallen een goede balans te houden tussen het schetsen van historische gebeurtenissen die rechtstreeks op Jeruzalem van toepassing zijn, maar waar nodig van hoofdrolspelers ook hun definitieve lot te schetsen ook al heeft dat met Jeruzalem niets te maken. Gelukkig kiest hij er daarbij in de regel ervoor om dit niet al te uitgebreid te doen en vaak ook door belangrijke historische figuren net zo snel weer uit zijn narrative te laten verdwijnen als dat ze verschenen zijn. Punt blijft bij dit soort werken dat er van alle informatie die wordt gedeeld, maar zo weinig echt blijft hangen door de grote overvloed aan informatie. Toch lukt het Montefiore om de hoofdlijnen van de geschiedenis van Jeruzalem te schetsen en stopt hij wijselijk bij de Zesdaagse Oorlog en het moment dat Jeruzalem onderdeel is geworden van Israël, een situatie die tot op de dag van vandaag voortduurt en daarmee geen geschiedenis meer is maar actualiteit. In de epiloog laat hij het heden aan het woord door een dag uit de leven van de representanten van de verschillende religies die Jeruzalem herbergt te beschrijven. Gek genoeg zal menig lezer na het lezen van de overwegend gewelddadige geschiedenis van Jeruzalem steeds grotere twijfels hebben over religie in het algemeen en de betekenis voor Jeruzalem in het bijzonder. Maar tegelijkertijd groeit daarmee het gevoel voor de symboliek en daarmee bepalende invloed van deze stad van hoop en vrees. 


In 2011 is 'Jerusalem. The Biography' van Simon Sebag Montefiore verschenen. Een Nederlandse vertaling is in hetzelfde jaar verschenen. Ook viel het verschijnen ervan samen met een door Montefiore gepresenteerde driedelige serie 'Jerusalem. The Making of a Holy City' bij de BBC. 

vrijdag 26 augustus 2016

Concert 25 augustus 2016: Aan de vooravond van een nieuw tijdperk


Robeco SummerNights 2016

Von Weber: Ouverture uit Oberon
Schumann: Celloconcert
Bruckner: Symfonie Nr. 4 (1874/80)

Sol Gabetta (cello)
Daniele Gatti, Koninklijk Concertgebouworkest
Concertgebouw, Amsterdam

Over een kleine twee weken treedt Daniele Gatti formeel aan als chef-dirigent van het Koninklijk Concertgebouworkest tijdens de inaugurele RCO Opening Night. Aan de vooravond van een nieuw tijdperk leidt hij zijn nieuwe orkest tijdens de Robeco Summer Nights in een heerlijk Romantisch programma met werken van Weber, Schumann en Bruckner en kan zich geen betere generale repetitie wensen. Met de stralende celliste Sol Gabetta op de koop toe.

Sinds de oprichting in 1888 van het toen nog niet met het predikaat 'Koninklijke' getooide Concertgebouworkest kent het orkest slechts zes chef-dirigenten. Op 9 september treedt de Italiaan Daniele Gatti in de voetsporen van zijn illustere voorgangers en is hij na Willem Kes, Willem Mengelberg, Eduard van Beinum, Bernard Haitink, Riccardo Chailly en Mariss Jansons de zevende Amsterdamse maestro. De druk die daarmee op hem ligt als chef-dirigent van één van 's werelds beste orkesten is daarmee niet gering. Zijn benoeming is daarbij ook met enige wisselende geluiden omgeven waarbij hij de afgelopen periode zowel de belofte leek te gaan inlossen als vraagtekens voedde over zijn benoeming. Hoe het ook zij: op 9 september a.s. vindt de feestelijke RCO Opening Night plaats die tegelijkertijd de formele inauguratie van Gatti betekent. Je zou denken dat tot dit grootse moment de aankomend chef-dirigent zich in (muzikaal) zwijgen hult, maar niets is minder waar. Want ter gelegenheid van de Robeco Summer Nights treedt het Koninklijk Concertgebouworkest (KCO) onder Gatti niet één maar twee keer op tijdens de Robeco SummerNights. En beide keren is celliste Sol Gabetta eveneens van de partij. Daar waar het concert op 18 augustus vooral in het teken stond van de Franse muziek met werken van onder andere Dutilleux, Debussy en Saint-Saëns was het nu volbloed Duitse Romantiek dat de klok sloeg. Gatti smeedde de ouverture uit Von Weber's Oberon, het Celloconcert van Schumann en Bruckner's Vierde Symfonie samen tot één magistraal visitekaartje voor zijn aanstaande muzikale leiding van het Amsterdamse orkest. Een visitekaartje waar Sol Gabetta, de celli en blazers van het KCO ook een grote rol in hadden.

De muzikale zon in huis
Jaren en jaren geleden was de Vierde Symfonie van Bruckner ook te horen tijdens de Robeco zomerconcerten, maar toen was het Philippe Herreweghe die zijn interpretatie gaf. In markante tegenstelling tot Gatti vond deze Vlaamse dirigent het voor de rest wel welletjes en bestond het concert alleen uit deze symfonie. Neem dan Gatti die niet alleen Sol Gabetta op sleeptouw neemt en Schumann's Celloconcert uitvoert, maar het programma ook nog eens start met de ouverture uit Von Weber's opera Oberon. Het is daarom niet verwonderlijk dat hoewel deze zomerconcerten altijd om acht uur starten het publiek pas ruim na half elf het Concertgebouw verliet. Het aardige aan dit programma was overigens ook dat hoewel de Vierde Symfonie van Bruckner nu niet bepaald niet-courant is de andere delen van het programma weliswaar exponenten van de muzikale Romantiek zijn, maar veel minder vaak gespeeld worden. Zeker met de keuze voor een ouverture van Von Weber had het meer voor de hand gelegen om te kiezen voor het bekendere Der Freischütz. Juist omdat Bruckner door dit werk werd geïnspireerd om de hoorn tot uitgangspunt te nemen voor zijn Vierde Symfonie. Een vlammende uitvoering van deze minder bekende ouverture van Carl Maria Von Weber (1786-1826) gaf een uitstekend startschot voor de rest van het programma, waarbij zeker het Celloconcert een hoogtepunt was. Dit enige celloconcert van de hand van Robert Schumann (1810-1856) markeert de liefde van de componist voor de cello. Het instrument dat hij ging spelen nadat hij door een probleem met zijn hand niet meer in staat was de piano te spelen. Hoewel door Schumann gepresenteerd als concertwerk is het een prachtige samensmelting van cello en orkest waarbij de drie delen naadloos in elkaar overgaan en daarbij één uniform werk vormen. In de capabele handen van de (muzikaal) opwindende Argentijnse Sol Gabetta kwam het tot een memorabele uitvoering waarbij de connectie tussen orkest, dirigent en solist evident was. Zo werd zij - op een warme en broeierige zomeravond - de stralende zon in het Concertgebouw. Niet voor niets is haar voornaam Latijn voor zon. Zij sloot haar zomerse samenwerking met het KCO af met een prachtig toegift - El Cant del Ocells, een Catalaans slaapliedje bekend geworden door Pablo Casals' cello-uitvoering - waarin zij werd ondersteund door de cellisten van het KCO. 

Imponerende Bruckner
Een chef-dirigent van het KCO kan natuurlijk niet om muzikale grootheden Mahler en Bruckner heen. Zij vormen immers het kernrepertoire van het orkest en zijn nog altijd de grootste publiekstrekkers. Bruckner's Vierde Symfonie - in de diverse versies zoals we van twijfelkont Bruckner gewend zijn - heeft de ondertitel 'De Romantische' en is een muzikale allegorie van het landelijke Oostenrijk, vertegenwoordigd door het schallen van de hoorn waardoor je tijdens het luisteren veelal onderdeel vormt van een jachtpartij. Bruckner is al sinds jaar en dag onderdeel van het DNA van het KCO. De Bruckner-cyclus uit de jaren zestig onder leiding van Bernard Haitink opgenomen voor Philips is daar een goed bewijs van. De Vierde uit die cyclus staat bekend als buitengewoon opwindend, terwijl nog niet zo heel lang geleden dezelfde symfonie is verschenen op huislabel RCO Live maar met ditmaal Mariss Jansons op de bok. Gatti imponeerde in een steeds warmer wordende grote zaal van het Concertgebouw met zijn vertolking van de Vierde. Groots, meeslepend en volledig onder controle loodste hij het orkest door dit magistrale werk. Alle orkestgroepen waren in goede doen en zelfs een hoestende violiste kon daar geen afbreuk aan doen. Het was duidelijk dat Gatti een klik heeft met deze muziek en dat toonde zich in de uitvoering waar de spanning tijdens de vele hoogtepunten van afdroop. Gatti krijgt - terecht - nog weleens het verwijt dat volume boven subtiliteit gaat, maar ook hier liet hij zich van zijn beste kant zien door ook de 'stilte' in het werk op te zoeken. Zo werd de finale ook daadwerkelijk de culminatie van al het voorgaande en kan Gatti met veel vertrouwen zijn inauguratie tegemoet zien. 

In juli en augustus vinden in het kader van de Robeco SummerNights een reeks zomerconcerten plaats. Zowel op 18 als 25 augustus maakt het Koninklijk Concertgebouworkest onder leiding van Daniele Gatti en met medewerking van celliste Sol Gabetta haar opwachting in deze reeks. Op 25 augustus met een programma van Weber, Schumann en Bruckner. Meer info over en kaarten bestellen voor de Robeco SummerNights hier.

woensdag 24 augustus 2016

Wallander's Brexit


Geen land ter wereld waar Scandinavische misdaadseries zo populair zijn als in het Verenigd Koninkrijk. Series als The Killing en The Bridge zijn niet aan te slepen en kunnen steevast rekenen op hoge kijkcijfers, zeker in vergelijking met andere niet-Britse producties. De oerserie van dit Scandinavische succes is zonder twijfel Wallander en het zal daarom ook niet verbazen dat de BBC een Engelstalige versie met Kenneth Branagh heeft geproduceerd. Met een vierde serie van drie afleveringen komt – net als het Zweedse origineel – een einde aan de avonturen van inspecteur Wallander en vormt daarmee een eigen Brexit. 

De oorspronkelijke Zweedse misdaadserie over inspecteur Wallander telt 32 afleveringen die van 2005 tot en met 2013 zijn uitgezonden. Het succes buiten de grenzen van Zweden verleidde Henning Mankell, de vorig jaar overleden geestelijk vader van inspecteur Kurt Wallander, om via zijn eigen productiehuis Yellow Bird gesprekken aan te gaan in het Verenigd Koninkrijk dat uiteindelijk in 2008 heeft geleid tot een Engelstalige BBC-serie met Kenneth Branagh in de rol van de stoïcijnse politie-inspecteur Kurt Wallander. Met vier series van in totaal 12 afleveringen is inmiddels een einde gekomen aan de Britse Wallander. In juni werd de laatste aflevering uitgezonden terwijl de vierde serie vlak daarna op DVD is verschenen. Een goed moment dus om de balans op te maken. 

Engelstalig, maar nog gewoon Zweeds
Het blijft vreemd dat juist vanwege het succes van de oorspronkelijke Wallander het nodig was om een Engelstalige versie te maken. Immers waar de weinig toegankelijke Zweedse taal daadwerkelijk een reden is voor een remake wijst het succes van de Zweedse Wallander en andere Scandinavische series uit dat zelfs het Britse publiek over te halen is om de moedertaal links te laten liggen, wanneer de kwaliteit en spanning van de betreffende series dik in orde is. Daarbij is de nuffige Krister Henriksson een meer dan goede Wallander waardoor een extra vraagteken geplaatst kan worden bij dit voornemen. Nu heb ik diverse afleveringen van beide series gezien en kan me eigenlijk wel wat voorstellen bij deze remake aangezien ze complementair aan elkaar zijn. Dat is des te vreemder aangezien de Engelstalige serie trouw blijft aan de boeken van Henning Mankell en er overlap is tussen beide series: zo is de laatste aflevering van de BBC-versie The Troubled Man hetzelfde verhaal als de eerste aflevering van het derde (en laatste) seizoen van de Zweedse versie. Daar komt nog eens bij dat de BBC-serie zich gewoon afspeelt in Zweden en dan met name in Ystad, thuisbasis van Kurt Wallander. Er is nadrukkelijk niet voor gekozen om de verhalen van Mankell zowel letterlijk als figuurlijk te vertalen naar het Verenigd Koninkrijk. Kenneth Branagh en een cast van overwegend Britse acteurs lopen dus gezellig rond in een erg Zweedse wereld. En hoewel dit in beginsel vervreemdend werkt, is het misschien wel de sleutel van het succes van de BBC-variant en ligt daarin de meerwaarde ten opzichte van het Zweedse origineel besloten.

Van Zuid-Afrika naar de boezem van de familie
Die vervreemding komt (uiteraard) ook terug in de laatste drie afleveringen waar het karakter van Wallander – uitstekend tot leven gebracht door de Noord-Ierse acteur en filmregisseur Kenneth Branagh – tijdens een bezoek aan een politieconferentie in Zuid-Afrika geconfronteerd wordt met een vermiste Zweedse die samen met haar man in Zuid-Afrika is gaan wonen (The White Lioness). Verder heeft Wallander het in A Lesson in Love te verduren met een motorbende die de hand lijkt te hebben gehad in de naargeestige dood van een vrouw en de vermissing van haar dochter. In die aflevering komt ook voor het eerst de schoonvader van Wallander’s dochter ten tonele. Deze aristocratische en voormalige Marineman Hakan von Enke wordt prachtig gestalte gegeven door Terrence Hardiman. Een naam die niet meteen tot herkenning zal leiden, maar zijn kenmerkende gestalte, dictie en stem maken hem een graag geziene bijrolacteur die in het Verenigd Koninkrijk vooral bekend is geworden als The Demon Headmaster in de gelijknamige serie. A Lesson in Love bouwt daarbij mooi op richting de laatste aflevering The Troubled Man die in het teken staat van de verdwijning van Hakan. Tegelijkertijd komen de gezondheidsproblemen van Wallander, die in A Lesson in Love voor het eerst echt duidelijk worden, in alle ernst en met de nodige gevolgen naar buiten. Zo combineert deze laatste serie van drie afleveringen de pijlers waarop het succes van de Wallander in het algemeen en de BBC-versie in het bijzonder op gebouwd zijn: volwassen dramatiek in combinatie met misdaad, maar voor een karakterschets van Kurt Wallander. Met deze serie is – na het de afronding van de Zweedse serie – een definitief einde gekomen aan Wallander en heeft Kenneth Branagh daarmee zijn eigen ‘Brexit’ gecreëerd. 


In juli is Volume 4 van de BBC-serie ‘Wallander’ met in de hoofdrol Kenneth Branagh op DVD verschenen. De serie wordt uitgegeven door Lumière en is gebaseerd op de boeken van Henning Mankell.

donderdag 18 augustus 2016

Concert 17 augustus 2016: Doorleefde Beethoven en opwindende overmoed in Brahms


Robeco SummerNights 2016

Beethoven: Vioolconcert
Brahms: Symfonie Nr. 4

Augustin Hadelich (viool)
Lahav Shani, Rotterdams Philharmonisch Orkest
Concertgebouw, Amsterdam

Met een jonge violist en een nog jongere gastdirigent en klassiekers van Beethoven en Brahms laat het Rotterdams Philharmonisch Orkest  ook in het zomerseizoen van  zich horen. Een doorleefde uitvoering van Beethoven’s Vioolconcert en een opwindende – tikkeltje overmoedige – vertolking van de Vierde Symfonie van Brahms zorgden voor een fijne zomeravond in het Concertgebouw.

De Israëlische dirigent Lahav Shani (27) kan ongetwijfeld zonder herkend te worden over straat lopen, want zelfs met white tie lijkt hij allesbehalve op een dirigent en nog jonger dan hij is. Tegelijkertijd bedient hij zich niet van de kapsones van een (klassieke) maestro want na afloop van het concert dartelde Shani door het orkest heen om diverse orkestleden in het zonnetje te zetten voor hun bijdrage. Net zoals Shani – bij de toegift van violist Augustin Hadelich – eveneens gemoedelijk in de zaal ging zitten om samen met het publiek te luisteren naar een mooie uitvoering van het andante uit de Tweede Vioolsonate van Bach. En ook op het podium zie je bij tijd en wijle nog echt een jonge jongen staan. Maar laat er geen misverstand over bestaan: deze pupil van Daniel Barenboim - die gelijk zijn mentor piano en orkestdirectie beheerst - weet  zodra hij voor een orkest staat  donders goed wat hij wil. Zijn wijze van dirigeren varieert van springerig soepel naar intensief stram. Met name wanneer die laatste stijl naar voren komt, doet hij erg denken aan Herbert von Karajan in zijn nadagen toen rugproblemen hem veroordeelden tot een gelijksoortige stramme dirigeerstijl.  Door diverse succesvolle invalbeurten is de ster van Shani rap gestegen en ook het Rotterdams Philharmonisch Orkest heeft al eerder met hem kennis gemaakt. Dat is blijkbaar goed bevallen want op het podium blijkt dat het orkest Shani moeiteloos volgt en – belangrijker – hem zijn rol ook gunt.

Het belang van muziek
Dat werd meteen al duidelijk bij het Vioolconcert van Ludwig van Beethoven (1770-1827). Dit uitgebreide en lyrische vioolconcert is voor violist én publiek een geliefd werk, maar daarmee is het tegelijkertijd des te lastiger om een goede uitvoering neer te zetten. Door de herkenbaarheid ligt de lat automatisch hoog. Met de eveneens jonge in Italië geboren Duitser Augustin Hadelich (1984) is die lat geen probleem. Gelijk Shani is ook zijn ster rijzende, maar is het belang dat hij aan muziek hecht wellicht nog groter. Want in zijn tienerjaren heeft hij tijdens een thuisbrand (ernstige) brandwonden opgelopen waardoor hij meer dan een jaar geen viool kon spelen. Juist omdat hij gedwongen zijn viool heeft moeten laten rusten zonder te weten of hij weer zou kunnen spelen, maakt dat hij nu met grotere intensiteit speelt. Hij beseft het belang dat muziek voor hem heeft te goed en wil daar zoveel mogelijk van genieten. En genieten deed zowel hij als het publiek gisteravond met een doorleefde uitvoering van dit Vioolconcert. Daarbij meer dan uitstekend begeleid door het Rotterdams Philharmonisch Orkest onder Shani. Publiek, orkest én dirigent waren daarom terecht lovend over de muzikale kwaliteiten van Augustin Hadelich.

Opwindende overmoed
Na de pauze stond Shani er alleen voor en dan ook nog eens met symfonie die niet de makkelijkste is. Want de Vierde Symfonie van Johannes Brahms (1833-1897) zit zo boordevol muzikale ideeën dat een dirigent goed moet weten wat hij wil om te voorkomen dat orkest én publiek niet verdwalen in een muzikale overvloed. Brahms heeft zich pas op latere leeftijd aan de symfonie gewaagd, waardoor zijn symfonische oeuvre uit slechts vier symfonieën bestaat. Overschaduwd door de symfonieën van de grote Beethoven kon hij zich niet voorstellen wat hij nog toe te voegen had. Gelukkig heeft hij zich over die schroom heengezet en componeerde hij vier doorwrochte symfonieën boordevol muzikale ideeën. En daarvan is de Vierde Symfonie ongetwijfeld het werk dat het meest van muzikaliteit uit de voegen barst. Want niet alleen vormen de eerste minuten van het eerste deel de basis voor de drie volgende delen, maar bevat dit deel zoveel muzikale rijkdom dat het een volledige symfonie in zich herbergt. Aan Shani en het Rotterdams Philharmonisch Orkest om deze “gevaarlijke” muzikale reis te maken. Een reis die bovenal kenmerkend Rotterdams was, niet in de laatste plaats door de kenmerkende sound van de Rotterdamse blazers in het algemeen en de hoorns in het bijzonder. Shani koos daarbij voor een voorzichtig en relatief trage start, maar bouwde snel op en begeleidde publiek en orkest naar een uitvoering die zonder twijfel elementen van jeugdige overmoed bevatte waarbij effectbejag en een flink fortissimo niet ontbraken. Dit deed echter geen afbreuk aan een opwindende vertolking die een passende epiloog vormde voor een mooie muzikale avond in het Concertgebouw.

In juli en augustus vinden in het kader van de Robeco SummerNights een reeks zomerconcerten plaats. Op 17 augustus maakten het Rotterdams Philharmonisch Orkest gastdirigent Lahav Shani en solist Augustin Hadelich hun opwachting in het Concertgebouw met een programma van Beethoven en Brahms. Meer info over en kaarten bestellen voor de Robeco SummerNights hier

donderdag 11 augustus 2016

Een moord hoog in de wolken. 'Death in the Clouds' van Agatha Christie


Over enkele weken verschijnt een nieuw avontuur van privédetective Hercule Poirot van Sophie Hannah terwijl Kenneth Branagh voorbereidingen treft voor een (nieuwe) verfilming van The Murder on the Orient Express. Bijna een eeuw na de publicatie van het eerste Poirot-verhaal en ruim veertig jaar na de dood van Agatha Christie is deze bijzondere Belg nog steeds populair. Maar zijn de oorspronkelijke boeken eigenlijk nog het lezen waard? 

Met de publicatie in 1920 The Mysterious Affair at Styles werd niet alleen Hercule Poirot geïntroduceerd, maar betekende dit ook het debuut van Agatha Christie (1890-1976). Het zou de start betekenen van een ongekend succesvolle schrijverscarrière die naast Poirot ook de immer nog bekende Miss Jane Marple, maar ook de nog altijd lopende moordmysterie The Mousetrap zou opleveren. Dit en de vele andere boeken die zij schreef, hebben Christie tot de best verkochte schrijfster ooit gemaakt wiens verkoopcijfers kunnen wedijveren met het werk van Shakespeare en de Bijbel. Ondanks dat zij al ruim veertig jaar dood is, blijven haar boeken – met name in de Engelstalige landen – in druk en inspireert zij nog steeds tot film- en tv-versies. Van meerdere versies van Miss Marple waarbij de serie met Joan Hickson uit de jaren tachtig nog altijd de beste is tot David Suchet die van 1989 tot 2013 erin geslaagd is om alle Poirot-verhalen te verfilmen. Ondanks dat Suchet gezien wordt als de definitieve Poirot weerhoudt dit regisseur Kenneth Branagh er niet van om Murder on the Orient Express – in 1974 verfilmd door Sidney Lumet met in de hoofdrol Albert Finney en tevens opgenomen als lange TV-aflevering met David Suchet – om volgend jaar een nieuwe versie in de bioscopen te brengen. Een versie waarin hij zelf ook de rol van Poirot op zich neemt. Maar ook op het boekenfront is het allerminst stil. Enkele jaren geleden schreef Sophie Hannah – met goedkeuring van de erven-Christie – met The Monogram Murders een (geslaagd) nieuw Poirot-avontuur, terwijl over enkele weken zij opnieuw in de wereld van Poirot duikt met Closed Casket. Poirot doet er dus nog steeds toe, maar hebben de oorspronkelijke avonturen de tand des tijds doorstaan of kunnen we beter kijken naar Suchet en Branagh kijken en Sophie Hannah lezen?

Moord aan boord
Door met name het David Suchet-verhikel Agatha Christie’s Poirot zijn alle Poirot-verhalen niet alleen verfilmd, maar daarmee ook bekend. Daardoor ligt het minder voor de hand om de oorspronkelijke verhalen te lezen omdat de ontknoping veelal bekend is. Death in the Clouds (1935) is daarom een goed startpunt om opnieuw het werk van Christie te lezen, want dit verhaal over een moord hoog in de wolken is één van de minder bekende avonturen van de pedante Belgische privédetective. Het aardige aan dit verhaal is dat het een typisch Poirot-verhaal is. Niet alleen zit de privédetective (letterlijk) met zijn neus bovenop de moord, maar leidt de locatie van de moord ertoe dat het lijstje van verdachten beperkt is. Want in Death in the Clouds wordt een vlucht van Parijs naar Croydon opgeschrikt door de dood van de Franse financier Madame Giselle. Wat in eerste instantie lijkt op een natuurlijke dood door een reactie op een wespensteek, blijkt uiteindelijk een zeldzaam gif – door middel van een pijl afgevuurd via een blaaspijp – de boosdoener te zijn. Waar de andere passagiers niets met deze financier van high society en bewaker van hun geheimen van doen lijken te hebben, gaat Poirot op onderzoek uit en komt erachter dat er wel degelijk banden zijn tussen een aantal passagiers en Madame Giselle en het niet toevallig is dat zij op deze vlucht zat. 

Tand des tijds
Een boek dat ruim tachtig jaar geleden voor het eerst gepubliceerd is, heeft natuurlijk niet volledig de tand des tijds doorstaan. Dit komt het beste tot uitdrukking in de maatschappelijke verhoudingen waarbinnen dit moordverhaal zich afspeelt. Verhoudingen waarbij een lid van de aristocratie altijd meer rechten c.q. met meer egards wordt behandeld dan de andere passagiers. Die strikte hiërarchie is tegelijkertijd een zeer realistisch tijdsbeeld van het toenmalige Verenigd Koninkrijk dat nog een Empire was en een klassensysteem kende dat nog door klinkt in het huidige Groot-Brittannië van premier Theresa May. Want geen ander land ter wereld waar lijstjes worden bijgehouden naar de achtergrond (particulier of publiek onderwijs) van een kabinet. In vergelijking met haar (aristocratische) voorganger David Cameron doet het May het – in dat opzicht – ietsje “ beter”. Maar ook de wijze waarop Christie langzamerhand via het speurwerk van dat gekke mannetje Poirot ontrafelt, is nog steeds lezenswaardig waarbij de ontknoping uiteindelijk (toch nog) onverwacht is. Poirot blijft dus gewoon lezenswaardig en zijn avonturen zijn zonder meer aan te bevelen, zeker in deze zomermaanden waarbij een fijne detective altijd op zijn plaats in. Nu nog afwachten of Sophie Hannah met haar tweede Poirot-avontuur de defintieve aftrap geeft voor een langdurige nieuwe reeks van deze nog altijd fascinerende privédetective. 

Begin september verschijnt ‘The Closed Casket’, het tweede Poirot-verhaal van de hand van Sophie Hannah. Het hier besproken boek ‘Death in the Clouds’ van Agatha Christie verscheen in 1935 en is – als onderdeel van een nieuw vormgegeven Poirot-reeks - nog altijd leverbaar. De Nederlandse vertaling (‘Poirot’s Vliegtocht’) is vooralsnog niet (meer) verkrijgbaar. Deze recensie is ook verschenen bij online nieuwsmagazine Jalta.