zondag 9 april 2017

Driemaal Hella Haasse: 'Sleuteloog', 'Fenrir' en 'Huurders en onderhuurders'


Ruim vijf jaar geleden overleed Hella Haasse, de grande dame van de Nederlandse literatuur. Bekend vanwege haar Indische en historische romans, maar tegelijkertijd lijkt haar naam bekender dan de literatuur die zij geschreven heeft. Een hernieuwde kennismaking daarom met  Haasse via drie (willekeurige) romans: Sleuteloog, Fenrir en Huurders en onderhuurders

De Nederlandse naoorlogse literatuur is lange tijd gedomineerd door de Grote Drie: Willem Frederik Hermans, Gerard Reve en Harry Mulisch. Veelal volgde daarna als snel de naam van Hella S. Haasse.    Na de dood van Harry Mulisch in 2010 (Hermans overleed al in 1995 en Reve in 2006) was zij nog de enige levende representant van een trotse en wereldwijd bekende Nederlandse literaire traditie. Nog geen jaar later overleed ook Haasse en eindigde een tijdperk. Geroemd bij haar dood maakte toenmalig staatssecretaris voor Cultuur Halbe Zijlstra zich sterk voor het spreken over de Grote Vier. Ook collega-auteur Cees Nooteboom ergerde zich aan "dat gekakel over de Grote Drie" en vond dat zij de allure had die haar toegang gaf tot het literaire Pantheon van Nederland. Opvallend daarbij is dat hoe bekend we ook allemaal nog zijn met deze schrijvers hun werk verder weg lijkt dan dat het relatief recente overlijden doet vermoeden. Zo wordt De Avonden van Gerard Reve amper nog gelezen terwijl de recente Engelse vertaling The Evenings tot uitmuntende recensies in het buitenland heeft geleid waardoor een nieuwe Nederlandstalige editie binnenkort het licht ziet. 

Haasse is vooral bekend geworden door haar romans over Nederlands-Indië (Heren van de Thee, Oeroeg en Sleuteloog) en haar historische romans (Scharlaken Stad, Een Nieuwer Testament en Het Woud der Verwachting) en minder vanwege haar contemporaine romans. Juist hierdoor zou het kunnen dat het werk van de in 1918 geboren schrijfster minder courant geworden is. Want de interesse voor in ieder geval de koloniale geschiedenis van Nederland is weleens groter geweest. 

Vorig jaar was ik in de nieuwe boekhandel Grand Theatre Breda. Dit prachtige rijksmonument dat voorheen diende als theater en bioscoop is nu de thuishaven voor liefhebbers van boeken. Een mooie toevoeging op het toch al heerlijke Breda en zonder meer een aanrader. Op wat voorheen het balkon was, is de ramsj te vinden. Ik trof daar een behoorlijk aantal exemplaren van de in 2006 door Uitgevrij Querido gestarte uitgave van een stemmige hardcover-editie van het verzameld werk van Haasse. In 2014 verscheen de laatste uitgave in deze reeks. Door het toevallige bezoek aan Grand Theatre Breda keerde ik naar huiswaarts met Sleuteloog, Fenrir en Huurders en onderhuurders. Tegelijkertijd leek deze vondst ook symbool te staan voor een schrijfster die - althans op dit moment - minder courant lijkt. De afgelopen weken heb ik achtereenvolgens en met veel plezier deze boeken gelezen. Daarom hoog tijd voor het (opnieuw) onder de aandacht brengen van een literaire grootheid wiens stem - alleen al vanwege ons verleden in Nederlands-Indië - gehoord moet worden. 

Sleuteloog (2002)
Door Sleuteloog wordt de unieke bijdrage van Haasse aan de Nederlandse literatuur meteen duidelijk. Net als haar debuut Oeroeg en De Heren van de Thee is het Nederlandse koloniale verleden in Nederlands-Indië het leitmotiv. Met haar prachtige Indische romans levert Haasse een grote bijdrage aan de gevoelswereld over een periode die grote invloed op onze geschiedenis heeft gehad, maar tegelijkertijd steeds minder deel uitmaakt van het collectieve geheugen. Eén van de mogelijke redenen waarom het werk van Haasse minder in trek is. Hoewel na het verschijnen van Sleuteloog in 2002 nog wel het nodige van Haasse is gepubliceerd, was dit de laatste grote roman en tegelijkertijd publiekstrekker - winnaar van de NS Publieksprijs van 2003 - van haar hand. 

Sleuteloog staat niet bekend als de beste Indische roman van Haasse maar was voor mij een prachtige inleiding op haar oeuvre op dit vlak. Haasse kenmerkt zich door een prachtig, maar vooral ook helder proza. Een herinneringsroman waar de inmiddels bejaarde Herma Warner door een journalist wordt benaderd of zij informatie heeft over de mensenrechtenactiviste Mila Wychinska. Het blijkt de pseudoniem van haar Indische jeugdvriendin Dee Mijers. Door het verzoek van deze Bart Moorland worden herinneringen ontsloten over haar tijd in Nederlands-Indië. Een structuur van brieven van Moorland gevolgd door herinneringen van Warner leidt tot een intrigerende roman die een inkijk geeft in een verloren wereld. Een wereld die voor Warner gesymboliseerd wordt door een prachtige antieke ebbenhouten kist waar de tastbare symbolen van die tijd zijn opgeslagen. De sleutel is al jaren zoek waardoor Warner moet vertrouwen op haar herinneringen. De toegang tot de "feiten" van die tijd bevindt zich achter het voor haar ontoegankelijke sleuteloog. 

Voor lezers die (nog) onbekend zijn met het oeuvre is Sleuteloog een meer dan prima inleiding. Niet voor niets roemde De Volkskrant Haase's Sleuteloog als 'kroon op haar oeuvre.

Fenrir (2000)
Toen Fenrir in 2000 verscheen was het onderwerp van lichte sensatie omdat het voor het eerst in jaren was dat een nieuwe roman van de hand van Haasse verscheen. Een roman die historisch was noch met Nederlands-Indië van doen had. Fenrir is een contemporaine roman die minder geslaagd is als Sleuteloog maar desalniettemin fascineert. In Fenrir - de mythologische wolfzoon van de Noorse god Loki - staan wolven en neonazisme centraal. Dit alles verbonden door de journalist Matthias Crone en de sterpianiste Edith Waldschade. Crone is weliswaar journalist maar is gefascineerd door wolven en werkt aan een wolvenencyclopedie. Bij toeval komt hij erachter dat de befaamde pianiste Edith Waldschade op haar landgoed in de Ardennen een privé-wolvenkamp houdt. Een landgoed dat toebehoorde aan haar vader die enige bekendheid genoot als germanist en volkenkundige. Deze specialisatie - in de tijd van de Tweede Wereldoorlog - maakte hem verdacht en verzamelpunt voor neonazi's en extremistische sympathieën. Uiteindelijk belandt Crone op het landgoed en landt midden in een familiedrama van Edith, haar zus en een mysterieuze man die een familielid blijkt te zijn. Uiteraard komt dit alles tot een dramatische apotheose. Een apotheose die overigens anders verloopt dan je op voorhand zou denken en daardoor zowel verrassend als verwarrend is.

Op het eerste gezicht lijkt Fenrir een poging van Haasse om door te dringen tot het detective-genre. Maar dan wel de meer literaire variant waar ieder antwoord in de regel tot meer vragen leidt en veel aan de verbeelding van de lezer wordt overgelaten. Daardoor bevredigt Fenrir niet volledig omdat niet helemaal duidelijk wat Haasse met deze roman beoogt. Toch fascineert Fenrir van begin tot einde en toont dat Haasse meer is dan een (Indische) historica. 

Huurders en onderhuurders (1971)
Het laatste boek uit deze volstrekt willekeurige bij elkaar gebrachte reeks van Haasse-romans is net als Fenrir één van haar contemporaine romans. Huurders en onderhuurders verscheen in 1971 en heeft eigenlijk een huis als hoofdpersoon. Een huis van rond de eeuwwisseling aan het Amsterdamse Vondelpark. Frits Dupels, een getroebleerde ambtenaar bij het Ministerie van Culturele Zaken, belandt via zijn leidinggevende die van hem af wil als huisbewaarder van dit huis. Samen met zijn vrouw Dora bewonen zij dit huis en verzorgen zij de verhuur ervan voor de huiseigenaar die zich op afstand bevindt. Het leven van het echtpaar draait volledig om het huis waarbij Frits zich steeds meer verliest in een kleinere wereld een megalomaan masterplan dat de wereld zal veranderen. Voor de eenzame Dora komen de onderhuurders als geroepen. Door in hun leven te graven kan zij zich onttrekken van haar eigen weinig gelukkige leven. Spil van de onderhuurders is de frauderende Lilian Hornkes die een 'bondje' sluit met een leraar die eerst een kamer betrekt voor het geven van naschoolse les. Een schrijfster completeert het gezelschap terwijl de huiseigenaar zich op de achtergrond beweegt. Door de alwetende verteller krijg je een inkijk in de verschillende levens, de samenhang ertussen die voor velen noodlottig zal uitpakken.

Huurders en onderhuurders was het laatste boek in deze reeks en gek genoeg is de volgorde van deze reeks ook exemplarisch voor de waardering. Naar verluidt was dit boek één van de favorieten van Haasse terwijl Fenrir en met name Sleuteloog evenwichtiger en sterker zijn. Dat laat onverlet dat het wederom een mooi voorbeeld is van de krachtige en heldere schrijfstijl van Haasse die nog altijd aanspreekt en verdient om gelezen te worden. 

Het oeuvre van Hella Haasse en deze besproken boeken in het bijzonder zijn - in diverse edities - nog altijd meer dan goed verkrijgbaar. Ook als eBook. 

zaterdag 8 april 2017

Meer dan klassieke muziek voor dummy's. 'Alles begint bij Bach' van Merlijn Kerkhof


Met Alles begint bij Bach weet Merlijn Kerkhof op aanstekelijke wijze zijn liefde en enthousiasme voor klassieke muziek over te brengen. Een boek dat niet alleen een welkome en toegankelijke inleiding is, maar ook een tijdig pleidooi is voor al het moois dat klassieke muziek kan bieden. Alleen mag bij een eventuele herziene druk het kaftdesign - dat nog het meest doet denken aan een schreeuwerige reclamefolder van de Media Markt - achterwege gelaten worden. 

“Hij maakt er levend weefsel van, met rode blosjes en broeierige plooien, onderhuidse trillingen en kippenvel. Merkwaardig, hoe je kunt juichen bij toefjes tuba en het stofgoud van een glissanderende harp” en “Tegelijkertijd verbrokkelde het eerste deel bij gebrek aan psychologisch bindmiddel. Veel ambacht en weinig Freud is niet per se een nadeel in een metier dat zich soms verliest in gesnotter". Zomaar fragmenten uit respectievelijk een cd-recensie en een concertbespreking van een collega-recensent van Merlijn Kerkhof. Het mooie, bijna poëtische gebruik van de Nederlandse taal schrikt potentiële liefhebbers van klassieke muziek eerder af dan dat het een nieuw publiek aanspreekt.  Tegelijkertijd versterkt dit het vooroordeel dat klassieke muziek 'ingewikkeld' is en 'zeker niet voor iedereen'. De recensies van schrijver, journalist en muziekcriticus Merlijn Kerkhof (1986) zijn daarentegen lezenswaardig en toegankelijk. In zijn stukken voor De Volkskrant verlaat hij gebaande paden en brengt hij - ook door langere artikelen te schrijven met een andere insteek - klassieke muziek iets meer in de mode. Van het jureren van de mooiste stukken van de vergeten componist Telemann tot waarom de beste klassieke pianisten nog altijd uit Rusland komen. De bijdragen van Kerkhof lees ik - en vast velen met mij - met plezier. Om zijn liefde voor de klassieke muziek voor een groter publiek te etaleren en tegelijkertijd het publiek ervoor te vergroten én te verjongen, levert Kerkhof zijn eerste boek af: Alles begint bij Bach. De ondertitel ‘wat je moet weten over klassieke muziek’ maakt duidelijk dat we hier te maken hebben met een muziekgeschiedenis op hoofdlijnen om lezers te verleiden op ontdekkingstocht te gaan door de klassieke muziek. 

Niet alleen voor beginners
Merlijn Kerkhof
Aangezien – oneerbiedig gezegd – dit vertaald zou kunnen worden naar ‘klassieke muziek voor dummy’s’ rijst natuurlijk de vraag waarom een bespreking van dit boek juist op dit cultuurblog verschijnt. Net als Kerkhof hoef ik niet van de waarde van klassieke muziek overtuigd te worden. En net zoals Kerkhof constateer ik dat het nog redelijk gaat met de klassieke muziek in Nederland, maar dat de toekomst verre van zonnig is. De vergrijzing lijkt bijna onomkeerbaar terwijl het aanbod van klassieke muziek – door Kerkhof ook als ‘kunstmuziek’ omschreven – relatief statisch blijft aangezien “moderne” klassieke muziek weliswaar mondjesmaat terrein wint, maar in de huidige omvang zeker niet het redmiddel is voor het ontelbare aantal concertzalen dat Nederland telt. Het leuke aan Alles begint bij Bach is dat het niet alleen een fijne inleiding vormt over de klassieke muziek, maar dat ook voor de al bekeerde liefhebber er het nodige te genieten valt. Natuurlijk is het een mooie samenvatting van al bekende anekdotes zoals Brahms die jarenlang zwoegde op zijn eerste symfonie uit angst vergeleken te worden met Beethoven tot de mysterieuze ontstaansgeschiedenis van Mozarts Requiem en de wel zeer innige band tussen de nazaten van Richard Wagner en Adolf Hitler. Tegelijkertijd is er nog genoeg onontgonnen gebied zodat er voor een ieder wel iets verrassends in staat en Kerkhof in staat is de bijbehorende historische context te schetsen. Want muziek ontwikkelt zich niet in isolement, maar als onderdeel van de maatschappij. Ook sluit Kerkhof vrijwel ieder hoofdstuk af met een aantal luistertips. Door de aanstekelijke en aansprekende wijze waarop Kerkhof zijn enthousiasme voor de klassieke muziek onder woorden brengt, kan het niet anders dan dat de lezer een aantal van die tips gaat luisteren. En als op deze wijze een groter en vooral jonger publiek voor klassieke muziek wordt getrokken dan is de missie van Kerkhof zonder meer geslaagd. 

Je kunt je natuurlijk afvragen of een boek nu het ideale medium is om voorbij het kernpubliek voor de klassieke muziek te komen, maar dat is muggenziften. Zeker ook omdat diverse orkesten – met name het Koninklijk Concertgebouworkest, het Rotterdams Philharmonisch Orkest en het Residentie Orkest – via allerhande nieuwe concertvormen hetzelfde pogen als Kerkhof en de resultaten hoopgevend en dan weer teleurstellend zijn. Klassieke muziek, maar vooral hetgeen de (geduldige) luisteraar oplevert, is het meer dan waard. Daarbij is muziek één van die vormen van cultuur die aantoont waarom de menselijke beschaving daadwerkelijk een beschaving mag heten. Maar vooral omdat muziek kan leiden tot een toevoeging op je leven: van geluk en contemplatie tot het bieden van troost. Muziek – mits passend bij ieders voorkeur – kan het allemaal teweeg brengen. Het inleidende hoofdstuk waarbij Kerkhof de lezer (letterlijk) meeneemt naar een (fictief) concert is daarbij niet alleen ontwapenend, maar rekent ook af met een aantal van de misvattingen over het bezoek aan een concert. Sowieso worden vele mythes over klassieke muziek door Kerkhof ontkracht: van het idee dat opera dood zou zijn en het failliet van de moderne klassieke muziek tot aan het feit dat klassieke muziek elitair is. Opvallend is dat Kerkhof heel zijdelings of eigenlijk geen aandacht besteedt aan ballet- en filmmuziek. Juist deze twee genres zijn een toegankelijk middel om richting de klassieke muziek te gaan. Gezinnen met kinderen zijn niet weg te slaan bij balletklassiekers zoals Notenkraker en Muizenkoning, Coppelia en Assepoester. Maar ook moderne dansgezelschappen zoals het NDT hebben moderne choreografieën op werken variërend van Beethoven tot Glass. Hetzelfde geldt voor filmmuziek waarbij de grens tussen wat filmmuziek is en wat niet soms moeilijk te stellen is. En de stap van de inmiddels zeven soundtracks van Star Wars van John Williams naar Also Sprach Zarathustra van Richard Strauss is voor een klassieke muziekliefhebber in de dop snel gemaakt. Alles begint bij Bach is inmiddels al aan de derde druk toe, dus wellicht is er op termijn nog aanleiding om een herziene versie te publiceren. Een tweetal extra hoofdstukken over ballet- en filmmuziek zouden dan niet misstaan. En mocht er een herziene versie komen, dan is het ook aan te bevelen om het kaftdesign nog eens onder de loep te nemen. Want hoewel ik grote waardering heb voor het boek dat Kerkhof geschreven heeft, strekt deze waardering zich zeker niet uit tot de kaft die nog het meest doet denken aan zo’n schreeuwerig reclamekrantje van de Media Markt. Dat moet toch beter kunnen. Budget of geen budget.

Het einde van de klassieke muziek?
Door de geschiedenis van de klassieke muziek episodisch te bespreken, biedt Kerkhof de lezer een scala aan opstappunten voor de klassieke muziek-trein. Zijn grote liefde voor Bach – de titel zegt het al – stopt hij daarbij niet onder stoelen of banken, maar tegelijkertijd maakt hij duidelijk dat Bach niet per se het eerste opstappunt hoeft of moet zijn. Klassieke muziek is ook een kwestie van gewenning. Een uitgangspunt dat hij ook hanteert voor hedendaagse kunstmuziek. Hoewel ik het met Kerkhof eens ben dat het aanbod van zowel klassieke muziek als moderne klassieke muziek zo groot is, dat je nooit het hele oeuvre kunt afdoen met ‘daar hou ik niet van’, ben ik zelf iets minder optimistisch over de rol van moderne klassieke muziek. Zeker, er valt op dat punt ontzettend veel te genieten. De opera Nixon in China van John Adams (1947) is niet alleen één van de meest succesvolle eigentijdse opera’s, maar heeft inmiddels ook een vaste plek verworven in de canon van ‘klassieke’ opera’s. Om over de populariteit van de muziek van Philip Glass (1937) nog maar te zwijgen. Maar in alle eerlijkheid: er zijn veel moderne stukken die het genieten waard zijn, maar het nooit in zich zullen hebben om het kernrepertoire in de schaduw te stellen. En juist dat is nodig om de toekomst van klassieke muziek zeker te stellen. Maar zoals Kerkhof terecht opmerkt, telde de wereld in Bachs sterfjaar 1750 slechts 791 miljoen mensen en zijn we inmiddels richting het tienvoudige aantal. Dan moet er toch genoeg talent zijn voor een hedendaagse Bach, Mozart of Beethoven? Samen met Merlijn Kerkhof hoop ik het van harte. En in de tussentijd ga ik gezellig door met luisteren naar prachtige muziek. Een leven zonder zou toch wel heel saai zijn.

In september 2016 is ‘Alles begint bij Bach’ van Merlijn Kerkhof verschenen bij uitgeverij Thomas Rap. Tevens beschikbaar als eBook. Deze recensie verschijnt gelijktijdig bij online nieuwsmagazine Jalta.

zondag 2 april 2017

Een onmogelijke biografie van een gewelddadige dynastie: 'The Romanovs:1613-1918' van Simon Sebag Montefiore


Simon Sebag Montefiore stelt zijn onmiskenbare talent voor meeslepende geschiedschrijving ten dienste van de Romanov-dynastie. Als geen ander weet Montefiore een kluwen aan karakters en gebeurtenissen bij elkaar te brengen. Desalniettemin blijft er (te) veel onbesproken en had de voorliefde voor de ongekende hoeveelheid geweld en seks die de dynastie in de ogen van Montefiore typeert een tandje minder gemogen. 

In Nederland is de historicus Simon Sebag Montefiore (1965) vooral bekend vanwege Jerusalem. The Biography, zijn geslaagde en alomvattende geschiedenis van het kruispunt van de geschiedenis. Zijn fascinatie voor Jeruzalem is ondanks de omvang van die biografie gek genoeg niet meer dan een uitstapje voor de historicus. Montefiore heeft zich gespecialiseerd in Rusland waardoor de afgelopen jaren een tweetal boeken over Stalin zijn verschenen, maar ook boeken over Catharina de Grote, Potemkin en hun onderlinge relatie. Tussendoor is zijn bekendheid verder toegenomen door geslaagde BBC-documentaires over Jeruzalem en Byzantium. Overigens zijn deze uitstapjes minder buitenissig dan gedacht aangezien de Tsaren en Tsarina's van Rusland een grote fascinatie hadden voor zowel Jeruzalem als Constantinopel/Istanbul. Want de Romanov-dynastie vormde niet alleen het symbool voor de eenheid van Rusland, maar ook van de Russisch-Orthodoxe Kerk en daarmee hoeder van deze hoofdsteden van geloof. De symboliek van deze dynastie vormt meteen de rode draad van The Romanovs: 1613-1918 en de rise to fame van een familie die drie eeuwen lang het Russische Keizerrijk domineerde en daarmee een ongekend grote invloed heeft uitgeoefend op de wereldgeschiedenis in het algemeen en de toekomst van Rusland in het bijzonder. 

Van Michaël I tot Nicholaas II
Tsaar Michaël I
Het schrijven van een dergelijke geschiedenis vraagt veel van een historicus. Drie eeuwen geschiedenis overzichtelijk terug brengen naar een leesbaar boek is geen kleine opgave. Zeker niet in het geval van de uitgebreide Romanov-dynastie waar de familieleden je om de oren vliegen. Als geen ander is Montefiore hier geschikt voor omdat hij het talent heeft om op meeslepende wijze de lezer door een geschiedenis te loodsen, niet in de laatste plaats vanwege zijn fijne pen die allesbehalve saai is. Wat dat betreft is dit boek eigenlijk alleen vergelijkbaar met zijn biografie van Jeruzalem waarbij hij in staat is gebleken om een complexe en uitgebreide geschiedenis begrijpelijk te houden door zich op de hoofdlijnen te richten. Toch is hij in het geval van de Romanovs hier minder in geslaagd. Niet alleen omdat bij dergelijke ondernemingen in de regel na het dichtslaan van het boek weinig echt blijft hangen, maar omdat het grote aantal personages een wel heel groot beroep doet op het overzicht van de lezer. De handige familiestambomen en een cast van de belangrijkste 'hoofdrolspelers' aan het begin van ieder hoofdstuk zijn daarbij zeer welkom, maar kunnen het dit elementaire probleem uiteindelijk niet oplossen. Nu hoeft dat ook niet aangezien het vast niet de bedoeling is van een lezer van een dergelijk boek om tot op detailniveau familie, vrienden en kennissen te verblijden met allerhande (triviale) kennis over de Romanovs. Uiteindelijk is het doel van een dergelijk boek een idee te krijgen van de ontwikkeling van de Romanovs en de impact op Rusland. In dat eerste slaagt Montefiore zonder twijfel: van de allereerste Romanov-Tsaar Michaël I (1596-1645) tot aan het tragische lot van Nicholaas II (1868-1918). In de proloog van het boek weet Montefiore op geniale wijze een verband te leggen tussen Michaël I en Aleksej, zoon van Nicholaas II en laatste (echte) troonopvolger van de Romanov-dynastie. Een proloog die ook een prachtig voorbeeld is van de verhalende kracht van Montefiore. Want in deze proloog schetst Montefiore de omstandigheden en gemoedstoestand van beide jonge troonpretendenten. Jongens die allebei in het oog van de storm verkeerden in een Tijd der Troebelen. Maar voor Michaël betekende dit dat het land naar hem en zijn familie keek om de eenheid in Rusland te herstellen, terwijl de aan hemofilie lijdende Aleksej in de ogen van de Bolsjewieken juist in de weg stond van een glorieuze toekomst zonder Tsaren. De ene startte de dynastie terwijl de ander  op gruwelijke wijze - samen met zijn familie - werd vermoord in Jekaterinenburg. 

Een familiesoap
Ex-Tsaar Nicholaas II
Na deze veelbelovende inleiding neemt Montefiore je mee in het wel en wee van de Romanov-dynastie en daarmee Rusland. Het boek zit vol met anekdotes en weetjes waaronder het feit dat Nicholaas II eigenlijk helemaal niet de laatste Tsaar van Rusland was. Die "eer" is weggelegd voor zijn broer Michaël die na de troonsafstand van Nicholaas nog een dag zou "regeren" als Michaël II waardoor de dynastie zowel begint als eindigt met een Michaël. Tussendoor maken we kennis met geslaagde en minder geslaagde Romanov-autocraten. Van Peter de Grote en Catharina de Grote tot Napoleon-nemesis Alexander I en één van de weinige hervormende Romanovs Alexander II. Opvallend daarbij is dat niet alleen dat de familieleden je om de oren vliegen,  maar ook de ledematen. Montefiore's tocht langs de Romanovs is namelijk ook een verhaal van veel geweld en seks. In interviews ter gelegenheid van het verschijnen van The Romanovs gaf Montefiore al aan dat deze uiteenzetting nodig is om de familie te begrijpen en in perspectief te plaatsen. Dat klopt zeker, maar binnen de zevenhonderd pagina's die Montefiore nodig heeft, wordt wel heel veel ruimte gereserveerd voor de soap die deze familie ook is. De hogere Europese politiek komt ook voldoende aan bod, maar wie een overzicht wil hebben van de echte impact van de familie op Rusland komt toch een beetje bedrogen uit. Dat laat onverlet dat Montefiore zijn verhaal met smaak vertelt en dat het allerminst een straf is om deze biografie te lezen. Een kwaliteit die voor gelijksoortige biografieën lang niet altijd geldt. In die zin leent dit boek zich minder voor een BBC-documentaire zoals over Jeruzalem en Byzantium, maar zou een soap in de lijn van The Tudors nog best een optie kunnen zijn. 

'The Romanovs: 1613-1918' van Simon Sebag Montefiore is begin 2016 voor het eerst uitgegeven en recent verschenen in een paperbackversie. Een Nederlandse vertaling is eveneens beschikbaar. Deze recensie is op basis van de Engelstalige editie. 

zaterdag 1 april 2017

Smoke and Mirrors: contrast tussen verleden en toekomst van NDT


Nederlands Dans Theater
Smoke and Mirrors

Imre en Marne van Opstal: The Grey
Sharon Eyal en Gai Behar: Sara
Marco Goecke: Midnight Raga
Léon & Lightfoot: SH-BOOM!

NDT2
Zuiderstrandtheater, Den Haag


Met het programma Smoke and Mirrors voor de jonge dansers van Nederlands Dans Theater 2 worden diverse contrasten getoond. Maar het meest treffende contrast is de impact van de maatschappelijk veranderingen op de NDT-choreografieën. Zo bezien zijn de ongedwongen jaren negentig een stuk humorvoller dan de serieuze jaren tien van de 21e eeuw. 

Het succes van het Nederlands Dans Theater (NDT) is nauw verbonden met de choreografieën van Sol Léon & Paul Lightfoot. In 2002 werden zij de officiële huischoreografen van NDT terwijl Paul Lightfoot sinds 2011 artistiek directeur is. Het duo Léon & Lightfoot heeft inmiddels een enorm aantal programma’s gecreëerd met klassiekers als Shoot the Moon, Sad Case, Subject to Change en Sehnsucht/Schmetterling. Het begin van deze succesvolle samenwerking wordt gemarkeerd door SH-BOOM! dat het ontluikende duo creëerde in 1994 voor de jaarlijkse Dansers Choreografie Workshop (nu: Switch). Precies dit werk is onderdeel van het nieuwe programma Smoke and Mirrors waar SH-BOOM! wordt gecombineerd met een tweetal nieuwe producties en een reprise van een recente productie. SH-BOOM! was voor het laatst te zien als onderdeel van Programma III in 2012 en is een humoristische en ironische uitwerking van de onderlinge relatie tussen mensen in het algemeen en in het bijzonder pogingen van mannen om indruk te maken op vrouwen. Dit alles op muziek van crooners uit de jaren vijftig. Een tijdbeeld dat nog eens extra ondersteund wordt door een vintage “hangende” microfoon. Dit leidt tot een strakke en bij tijd en wijle zeer serieuze ‘donkere’ choreografie, ondersteund door inventief gebruik van licht. Een aanpak die een scherp contrast vormt met de humor en ironie van de kostuums en muziek. 

Broedplaats van choreografen
In de stal van het NDT zijn niet alleen zeer getalenteerde en technisch uitmuntende dansers te vinden, maar ook de choreografen van de toekomst. Bij NDT wordt ruimte aan dansers geboden om zich ook zo te ontwikkelen. Dit leidde al tot succesvolle choreografieën van onder andere Medhi Walerski. In zijn voetsporen treden nu broer en zus Marne en Imre van Opstal met The Grey dat uitgevoerd door de jonge dansers van NDT2 de wereldpremière beleefde in het Haagse Zuiderstrandtheater. Het geven van ruimte wordt ook letterlijk genomen aangezien The Grey maar liefst 36 minuten duurt en qua duur de overige producties van Smoke and Mirrors in de schaduw stelt. Op een onheilspellende en donkere Daft Punk-achtige (denk aan de Daft Punk-soundtrack voor de film Tron: Legacy) nieuwe muziek van Amos Ben-Tal presenteren broer en zus Van Opstal een drieluik dat de keuzes in het leven voorstelt en de wens om die keuzes en daarbij behorende richting in je leven opnieuw in overweging te nemen. Die wens wordt zeer letterlijk genomen door tussen de onderdelen van het drieluik een pauze in te lassen in de meest letterlijke zin van het woord. De muziek stopt, het licht gaat aan en de dansers gaan er even rustig bij zitten en drinken wat water om na enkele minuten de productie weer te hervatten. Het is een gewaagde eerste productie die toont – zeker het tweede meest overtuigende deel waar muziek, dans en drama het beste bij elkaar komen en enigszins hypnotiserend uitpakt – dat Imre en Marne van Opstal op zoek zijn naar een eigen signatuur. Opvallend daarbij is het contrast met SH-BOOM! waarbij Léon & Lightfoot met name door de humorvolle aanpak emotie losmaken bij het publiek. Bij The Grey is dat eigenlijk niet het geval. Als publiek ben je onder de indruk van de uitmuntende danstechniek, maar fascineert The Grey zonder echt emotie op te roepen. Wellicht ook een vertaling van het huidige tijdsgewricht dat in tegenstelling tot de jaren negentig allesbehalve zorgeloos is. Het aardige is overigens dat, bedoeld of onbedoeld, het gebruik van een hangende microfoon in The Grey een zichtbare verbinding legt met het werk van Léon & Lightfoot. 

Contrast tussen de muziek van Inda en de zenuwen van Marco Goecke
Naast de wereldpremière van het jonge NDT-talent was er ook een wereldpremière van de gevestigde choreograaf en NDT-partner Marco Goecke. Een relatief korte choreografie Midnight Raga voor twee mannen op muziek van Ravi Shankar en I’d rather go blind van Etta James. Opvallend daarbij is het contrast tussen de ‘zenuwachtige’ choreografie en de muziek. Goecke heeft er bijvoorbeeld bewust voor gekozen om op de Indiase muziek van Ravi Shankar juist geen ‘Indiase’ choreografie te creëren. Deze tegenstelling leidde her en der tot gelach aangezien de krachtige techniek van de veelal simultaan dansende mannen zo afwijkt van de muziek. Het was niet naar ieders smaak maar oorspronkelijk was het zeker. Het contrastrijke programma bestond verder nog uit de choreografie Sara van Sharon Eyal en Gai Behar uit 2013 die op verzoek van het publiek aan het programma is toegevoegd. Speciaal voor NDT2 gemaakt en is een soort intuïtief gedanste droomwereld. Door het programma met SH-BOOM! af te ronden, sloot de avond op een vrolijke noot af, maar gaf het ook zeer te denken over het grote contrast tussen het verleden en de toekomst van NDT.

Foto: Nederlands Dans Theater


Het NDT2-programma ‘Smoke and Mirrors’ bestaat uit de choreografieën ‘The Grey’, ‘Sara’, ‘Midnight Raga’ en ‘SH-BOOM!’ en toert van 30 maart t/m 1 juni 2017 door heel Nederland. Deze recensie is op basis van de première op 30 maart in het Haagse Zuiderstrandtheater. Deze recensie is gelijktijdig bij online nieuwsmagazine Jalta verschenen. 

donderdag 30 maart 2017

'Onegin' van Het Nationale Ballet: Meeslepend liefdesdrama zonder poespas


Het Nationale Ballet
Onegin
(Pjotr Iljitsj Tsjaikovski, 1840-1893)

Anna Tsygankova, Tatiana
Jozef Varga, Onegin
Qian Liu, Olga
Remi Wörtmeyer, Lensky
Sébastien Galtier, Gremin

John Cranko (choreografie)
Kurt-Heinz Stolze (muziekbewerking en orkestratie)
Elisabeth Dalton (decor en kostuums)

Het Nationale Ballet
Ermanno Florio, Het Balletorkest
Nationale Opera & Ballet, Amsterdam

Hoewel Tsjaikovski "slechts" muziek schreef voor drie balletten betekent dit allerminst dat de balletwereld zich hoeft te beperken tot Het Zwanenmeer, De Notenkraker en De Schone Slaapster. Want met Onegin liet choreograaf John Cranko zich weliswaar inspireren door Tsjaikovski's opera Jevgeni Onegin maar vond hij de muziek in ander werk van de Russische romanticus. Aan Het Nationale Ballet is een dergelijk klassiek doch eigentijds liefdesepos zeer besteed en tekent daarom voor een meeslepende productie. 

Het zijn goede tijden voor liefhebbers van Tsjaikovski. Want hoewel Onegin va John Cranko (1927-1973) in 1965 in première ging bij het Stuttgarter Ballet en in 1967 een gereviseerde versie kreeg, duurde het nog tot 2002 voordat Het Nationale Ballet zich er aan waagde. Maar nu dus in de reprise. Een goede timing aangezien enkele maanden geleden een ander ballet gebaseerd op het werk van Tsjaikovski in Nederland te zien was: Alice in WinterWonderland van De Dutch Don't Dance Division (zie hier voor die recensie). De basis voor die productie werd in 1995 gelegd door componist-dirigent Carl Davis die de opdracht van het English National Ballet kreeg om op grond van het werk van Tsjaikovski muziek samen te stellen voor een balletversie van Alice in Wonderland. Het aardige daarbij is dat Tsjaikovski nog altijd inspireert, maar dat zijn oeuvre dermate groot is dat beide balletten slechts één deel uit dat oeuvre delen. Daar waar Alice bestaat uit een avonturentocht door de fantasie van een meisje, is Onegin een onvervalst liefdesepos. Een ballet dat net als de (bijna) gelijknamige opera gebaseerd is op een roman van Aleksandr Poesjkin (1799-1837). Een schrijver die rustig de Russische Shakespeare genoemd mag worden. Met Onegin schreef hij vooral een liefdestragedie aangezien de liefde van Tatjana door Onegin wordt afgewezen. Een nare afwijzing aangezien Onegin voor de ogen van Tatiana haar liefdesbrief aan hem verscheurt. Om het allemaal nog een tikkeltje erger te maken flirt Onegin met Olga, de verloofde van zijn vriend Lensky. Deze Lensky laat het er niet bij zitten, daagt Onegin uit voor een duel, maar laat daarbij het leven. Vele jaren later is de arrogante en harteloze Onegin veranderd in een lege huls op zoek naar een antwoord op zijn eigen nutteloosheid. Op een bal van een prins ontmoet hij wederom Tatiana die inmiddels de vrouw van zijn gastheer blijkt. Onegin raakt alsnog verliefd op Tatiana, maar ditmaal is zij het die zijn liefdebrief verscheurt en een einde maakt aan dit tragische epos. 

Een eigentijdse klassieker
Het bizarre aan dit verhaal is dat het deels overlap heeft met het werkelijke leven van Poesjkin, zonder dat hij daar overigens erg in heeft gehad. Want Poesjkin zou zelf de dood vinden in een duel naar aanleiding van een (vermeende) affaire. Een affaire waarbij het duel overigens eerder werd afgewezen, maar een zeer literaire doch krenkende brief van Poesjkin aan zijn tegenstrever alsnog leidde tot het fatale duel. Het is daarom niet voor niets dat het begindoek van deze productie het portret van Poesjkin draagt, inclusief zijn geboorte- en sterfjaar. De productie van Het Nationale Ballet is daarbij klassiek, maar dat past juist erg goed bij deze tragische liefdesgeschiedenis. De choreografie van John Cranko is weliswaar ook klassiek, maar heeft een duidelijk eigentijds karakter. Daarbij is het opvallend dat de gehele productie een fijne 'vaart' heeft waarbij de solo's, duetten en de (indrukwekkende) scenes van het corps de ballet naadloos en afwisselend in elkaar overgaan. Dit alles ondersteund door de tijdloze muziek van Tsjaikovski die als symbool van de (muzikale) Romantiek zeer op zijn plaats is. Het knappe is dat het arrangement, gelijk Carl Davis voor Alice in Wonderland, weliswaar bestaat uit een allegaartje van meer en minder bekende muziek van Tsjaikovski maar wel klinkt als één geheel. 

Lul van een vent
Maar wat uiteindelijk deze productie geslaagd maakt, zijn de prestaties van Het Nationale Ballet. Met Jozef Varga heeft Onegin een solist die niet alleen technisch uitmuntend is, maar vooral uitstekend gecast is als de arrogante Onegin. Want sympathiek is Onegin zeker niet, het is gewoon een lul van een vent. Varga weet op overtuigende wijze gestalte te geven aan een man die probleemloos solt met de gevoelens van een vrouw en er ook wel been in ziet om een vriend te doden. Een vriend die overigens evenzo zo goed gestalte wordt gegeven door Remi Wörtmeyer die technisch eveneens enorm begaafd is, maar een karakter hieraan koppelt dat innemend is. Ster is natuurlijk Tatiana in een prachtrol van Anna Tsygankova. Dit alles gecompleteerd door een goed op elkaar ingespeeld corps de ballet en de uitstekende bezielende begeleiding door het Balletorkest onder leiding van Ermanno Florio. De liefhebber van een meeslepend liefdesdrama als klassiek doch eigentijds ballet kan de komende weken probleemloos terecht bij Het Nationale Ballet.


'Onegin' wordt van 29 maart t/m 16 april 2017 uitgevoerd door Het Nationale Ballet. Deze recensie is op basis van de première op 29 maart. Meer info en kaarten bestellen hier

maandag 27 maart 2017

Midnight Sun: In de Zweeds-Franse Lappen-mand


Televisiemakers uit Zweden en Frankrijk bundelen succesvol hun krachten in de nieuwste crimeserie Midnight Sun. De getormenteerde Franse politieagente Kahina Zadi vormt met de sullige openbaar aanklager Anders Harnesk een onwaarschijnlijk duo in de klopjacht op een wrede seriemoordenaar. En dat alles in de spectaculaire natuurpracht van het Zweedse mijnstadje Kiruna waar de zon de hele dag schijnt en de duisternis in haar inwoners huist.

De duistere misdaadseries zijn al jaren niet aan te slepen. Hoewel de kwaliteit van de meeste series, vooral uit de Scandinavische landen, niet bepaald een probleem is, wordt het natuurlijk steeds lastiger om een originele draai aan het genre te geven. Midnight Sun, de nieuwste loot aan de misdaadstam, weet in de eerste minuten meteen de aandacht te trekken. Niet alleen door de spectaculair gruwelijke moord via een helikopter, maar ook doordat de gelauwerde acteur Peter Stormare (Fargo, The Lost World: Jurassic Park en Prison Break) zijn opwachting maakt in deze Zweeds-Franse coproductie. Zowel Frankrijk als Zweden timmeren allebei aan de weg in het segment van de misdaadseries, maar in Midnight Sun is deze samenwerking ook een onlosmakelijk element van het verhaal. Want de man die op – ik herhaal het nog maar eens – spectaculair gruwelijke wijze via een helikopter aan zijn einde komt, blijkt een Frans staatsburger te zijn. Alle reden voor de Franse politieagente Kahina Zadi om af te reizen naar het noordelijkste puntje van Zweden. Daar in de ongerepte natuur bevindt zich het stadje Kiruna. Een stadje dat leeft van de mijnbouw en tegelijkertijd valt binnen Lapland en daarmee het domein van de Sami, het nomadische volk dat wij vooral kennen als de Lappen. Samen met haar Zweedse collega Rutger Berlin – gestalte gegeven door de indrukwekkende Zweedse acteur Peter Stormare – is het aan Zadi om de moordenaar op te sporen. Een moordenaar die in de beste traditie van dergelijke misdaadseries het natuurlijk niet bij één slachtoffert laat en een grote originaliteit toont in de wijze waarop hij zijn slachtoffers om het leven brengt. 

Een dag zonder nacht
De teleurstelling is dan ook groot wanneer de rol van Peter Stormare al na één aflevering eindigt en zijn plek wordt ingenomen door de sullige openbaar aanklager Anders Harnesk die bovenal een antiheld is. De teleurstelling is overigens van korte aard omdat zowel het personage van Harnesk als die van Zadi dieper gaan dan je zou vermoeden. Want Harnesk heeft een nogal bazige dochter die hem als slaaf behandelt terwijl hij tegelijkertijd homo blijkt te zijn en een relatie heeft met een ruig knappe helikopterpiloot. Daarbij is Harnesk zelf een Sami hoewel hij met de onorthodoxe en antieke rituelen en levenswijze van zijn volk niets te maken wil hebben. Deze afkomst geeft een spanning in zijn werk en de relatie met de Zweedse politieagenten. Want de Sami in Kiruna zijn allesbehalve onderdeel van de maatschappij en kampen met (on)verholen racisme van hun Zweedse broeders. Ook Kahina Zadi kan daarover meepraten vanwege haar Algerijnse afkomst en een zoon met wie ze – vlak voordat ze naar Zweden vertrekt – voor het eerst in jaren oog in oog komt te staan. Dit alles tegen een achtergrond van continu zonlicht omdat Kiruna zo noordelijk ligt dat de nacht even licht is als de dag. Dit leidt tot grote desoriëntatie bij zowel Zadi als de kijker. Een desoriëntatie die doet denken aan de Noorse film Insomnia die in 2002 door Christopher Nolan opnieuw verfilmd is met Al Pacino als een soort Zadi die niet alleen een moord moet oplossen, maar ook kampt met de bijzondere omstandigheid dat het dorp waar de moord plaats heeft gevonden net zo licht is als Kiruna. 

Een nacht zonder einde
De overvloed aan licht kan overigens niet maskeren dat de inwoners van Kiruna een groot geheim delen en tegelijkertijd een samenleving hebben gevormd waar racisme en geweld aan de orde van de dag zijn. Een samenleving die ten dienste staat van de mijnbouw. Zelfs zo dat het noodzakelijk is om het gehele stadje letterlijk te verhuizen teneinde de mijnbouw voort te kunnen zetten. Een samenleving die door deze bijzondere combinatie van factoren een sadistische moordenaar voortgebracht heeft. In acht afleveringen vindt de klopjacht op deze mysterieuze moordenaar plaats, maar is er ook veel ruimte voor het verhaal van de jagers Harnesk en Zadi, het lot van de Sami en de natuurpracht van het noorden van Zweden. De Zweeds-Franse combinatie werkt daarbij zowel voor het verhaal als de productiewaarde meer dan goed en weet zo een eigen niche te bemachtigen in het grote aanbod van misdaadseries. 

Foto: Lumière


De Zweeds-Franse coproductie ‘Midnight Sun’ is sinds maart zowel op DVD als op Blu-ray beschikbaar en wordt uitgegeven door Lumière. Deze recensie is ook verschenen bij online nieuwsmagazine Jalta.

zondag 12 maart 2017

Hans Liberg: Geen rode draad? Geen probleem!


Hans Liberg
Trálálálá voor iederéén!!

Stadsgehoorzaal, Leiden

Met zijn voorlopig laatste voorstelling Trálálálá voor iederéén!! rolt Hans Liberg zijn succesformule van muzikaal cabaret weer uit. Een formule die weliswaar niet erg vernieuwend is, maar nog altijd garant staat voor een mooie avond. Niet in de laatste plaats door de toevoeging van de getalenteerde sidekick Ralph Adriaansen. 

Op 3 mei vindt de laatste voorstelling van Trálálálá voor iederéén!! plaats in Theater De Flint in Amersfoort. Het is tegelijkertijd een voorlopig einde aan de theatervoorstellingen van Hans Liberg. Afgelopen november maakte Liberg bekend dat het na 36 jaar (!) optreden tijd is voor een “pitstop”. Na mei gaat Liberg zich toeleggen op zijn verzameling hedendaagse kunst en zijn eerste liefde: de muziekwetenschap. Of Liberg terugkeert naar het theater is onbekend, maar wie hem in zijn nieuwste programma bezig ziet, constateert dat de formule van Liberg allesbehalve vernieuwend is, maar dat deze nog altijd werkt en de grote man er nog altijd lol in heeft. De aankondiging van het naderende afscheid betekent ook dat voor zijn sidekick Ralph Adriaansen een einde komt aan de samenwerking. Sinds 2010 is zijn rol als muzikale sidekick én komisch mikpunt gestaag gegroeid. Zeker in dit laatste programma neemt de door Liberg tot ‘Vibralph’ omgedoopte Ralph een steeds groter aandeel in het succes van Liberg voor zijn rekening. Tegelijkertijd is deze nieuwe voorstelling geen spoor te bekennen van afscheid. Sterker nog: minder dan in andere producties van Liberg is er van een rode draad geen sprake, behalve de fascinatie van Liberg voor muziek en de (komische) verbanden daartussen. Dat is overigens geen enkel probleem aangezien de show voorbij vliegt en niemand zich bekocht zal voelen door de voor Liberg kenmerkende mix van muzikale humor. 

Tijd voor Barok
Een mix die start met de Fanfare for the Common Man van Copland die – naar goed Libergiaans gebruik – naadloos overgaat in We will rock you van Queen. Een plechtig hijsen van een achtergronddecor bestaande uit een negental rood-witte nationale vlaggen (van Japan tot Oostenrijk en Kroatië) is Liberg’s manier om aan te geven dat een nieuwe tijd is aangebroken. De tijd van Trump en daarmee pomp and circumstance. Door Liberg gekenschetst als een tijd voor Barok. Natuurlijk komt de Nederlandse politiek ook (even) aan bod, niet in de laatste plaats door de diverse op het podium uitgestalde instrumenten te koppelen aan een lijsttrekker. Een groot, log en zwaar blaasinstrument laat Liberg voor wat het is, maar niet zonder vilein op te merken dat het Sharon Dijksma betreft. Nogal flauw, maar toch lach je er hard om. Even denk je dat Liberg volledig geëngageerd gaat inzetten op de nationale en mondiale politiek, maar op een aantal speldenprikjes na blijft het daarbij. Ook daarin ontbreekt een rode draad, behalve dan de verbroederende werking van muziek die pas tot verdeeldheid leidt wanneer de tekst ter sprake komt (‘Sinterklaasje kom maar naar binnen met je Hoofd Logistiek’ etc.). In die zin is muziek de enige rode draad die Liberg nodig heeft om vrij associërend van het ene naar het andere te komen. Dat is niet bepaald vernieuwend, maar is nog altijd een beproefd recept voor een leuke avond.

Tijd voor Ralph
Opvallend is dat de rol van sidekick Ralph Adriaansen in Trálálálá voor iederéén!! groot én van meerwaarde is. Niet alleen is hij een vakkundig bespeler van de vibrafoon en slagwerker, maar heeft zijn olijke aanwezigheid een heilzaam effect op de beproefde Hans Liberg-formule. Liberg geniet er van om de jonge Ralph op zijn plaats te zetten en daarmee de sympathie van het publiek zijn kant op te bewegen. Daarbij zijn de momenten waarop Liberg en Ralph gezamenlijk musiceren net zo waardevol als de momenten dat Ralph onderdeel of onderwerp is van een grap. Zo maakt Trálálálá voor iederéén!! duidelijk dat de “pitstop” nodig én onnodig is. Enige vernieuwing zou Liberg niet misstaan, maar het feit dat zijn unieke mix van muziek en humor nog altijd volle zalen trekt én garant staat voor een leuke avond betekent dat het theater de komende jaren toch een tikkeltje armer is geworden. 

Foto: Thomas Mayer

Van 22 november 2016 tot en met 3 mei 2017 toert Hans Liberg door Nederland met zijn voorlopig laatste voorstelling ‘Trálálálá voor iederéén!!’. Deze recensie is op basis van de voorstelling in de Stadgehoorzaal te Leiden op 8 maart 2017. Meer info en kaarten via www.hansliberg.com.

vrijdag 10 maart 2017

De zachte kant van Al Capone. 'Al Capone. Leven, legende en nalatenschap' van Deirdre Bair


Over Al Capone zijn talloze boeken, documentaires, films en series verschenen. Toch weet Deirde Bair te verrassen met haar biografie over de bekendste gangster in de geschiedenis van de misdaad. Niet alleen legt zij de focus op de ‘zachte’ kant van Capone, maar ontdoet ze het leven van Scarface – bijna tot vervelens toe - van alle fictie. Wat resteert is de ware Al Capone en dat is al niet misselijk. 

Een besloten diner in een chic restaurant in Chicago. Aan een grote ronde tafel de absolute top van het misdaadimperium van Al Capone in de Windy City. Met in zijn hand een honkbalknuppel vergast Capone zijn gehoor op een uiteenzetting van het belang van teamwork. Tijdens zijn verhaal loopt hij heen en weer achter de ruggen van zijn misdadige confrères. En dan plotseling blijft hij staan en slaat hij het hoofd van één van de aanwezigen tot moes. Een almaar groter wordende plas bloed ontstaat en kleur het tafellinnen rood. Zo rekent de grote Al Capone af met verraders. Deze fameuze scène uit Brian DePalma’s The Untouchables uit 1987 met Robert De Niro als Al Capone staat symbool voor het beeld dat in het collectieve bewustzijn bestaat over de grootste gangster van de twintigste eeuw. En hoewel deze scène zonder meer geworteld is in de werkelijkheid - de afrekening met Albert Anselmi en John Scalise die Capone wilden onttronen - staat het eveneens symbool voor de overdreven legendevorming die zich rondom Capone heeft voltrokken. In Al Capone. Leven, legende en nalatenschap rekent Deirdre Blair rucksichtslos af met hele en halve onwaarheden - zoals de honkbalscène in The Untouchables - die rondom het leven van Al Capone (1899-1947) zijn ontstaan en heeft zij vooral aandacht voor het persoonlijke leven van deze misdaadkoning die nog altijd wereldfaam geniet. 

De familie van Al Capone
De Amerikaanse schrijfster Deirdre Bair (1935) heeft zich toegelegd op het genre van de biografie waardoor Al Capone lid geworden is van een bont gezelschap dat op de warme belangstelling van Bair de afgelopen jaren heeft mogen rekenen: Samuel Beckett, Anais Nin, Simone de Beauvoir, Carl Jung en Saul Steinberg. Vanaf de eerste pagina maakt Bair duidelijk dat haar biografie van Capone anders is dan de enorme berg biografen die haar voor zijn gegaan. Wie een gedetailleerde beschrijving van de misdadige carrière van Al Capone denkt aan te treffen, komt bedrogen uit. Tegelijkertijd moet Bair niets hebben van overdrijving en richt zich slechts op de feitelijke én te bewijzen gebeurtenissen in het leven. Wanneer daar twijfel over is, deinst Bair er niet voor terug om deze twijfel duidelijk uit te werken. Een aanpak die ze consequent volhoudt tot bijna vervelens toe. Haar focus richt zich op de man achter de mythe. Een focus die mogelijk is omdat zij – in tegenstelling tot haar voorgangers – toegang heeft gekregen tot persoonlijke documenten en gesprekken met zijn familie. Hoewel de misdadige carrière minder aan bod komt dan je in beginsel zou willen, geeft dit juist ruimte voor een afgewogen beschrijving van het gehele leven van Capone. Overigens komen de belangrijkste ‘wapenfeiten’ – zoals het Valentijnsdagbloedbad - wel degelijk aan bod, waarbij overigens een bepaalde voorkennis niet strikt noodzakelijk, maar wel handig is. Tekenend hiervoor is dat de Eliot Ness, de befaamde opsporingsambtenaar die een belangrijke rol speelde bij de val Al Capone, slechts één keer in het boek wordt genoemd. Daarentegen is er veel aandacht voor het familieleven van Capone. Een leven dat in het teken stond van zijn huwelijk met Mae en zijn zoon Sonny. Maar ook zijn moeder Teresa die – naar goed Italiaans-Amerikaans gebruik – een dominante rol in het leven van haar zoon speelde en zijn broers en zus Mafalda. 

Kort maar krachtig
In markante tegenstelling tot de legende hield de heerschappij in Chicago van de in New York geboren Al Capone amper zes jaar stand. In die zes jaar wist hij al zijn tegenstanders af te troeven en ongelooflijke hoeveelheden geld te verdienen. Geld dat hem en zijn familie in staat stelde een ongekend luxe leven te leiden en duizenden mensen – waaronder vele overheidsdienaren en politieagenten – schatplichtig aan hem te maken. Tegelijkertijd had hij deze enorme inkomsten nodig om zijn beveiliging mogelijk te kunnen maken, want in de dog eat dog world van de misdaad was niemand zijn leven zeker. Via de oude misdaadbaas Johnny Torrio en na diens pensionering wist Capone zich op te werken tot de onbetwiste leider van The Chicago Outfit en daarmee de facto baas van de stad. Een positie die hij verder wist te versterken doordat hij tegelijkertijd veel deed aan liefdadigheid en zo een volksheld werd voor bepaalde delen van Chicago. Hoewel zijn val zich uiteindelijk snel voltrok, blijft het frappant dat hij nooit veroordeeld is voor de daden van zijn misdadige imperium, maar slechts voor het ontduiken van belasting. Een veroordeling die – zoals Bair aantoont – pas mogelijk werd door het volstrekt incompetente optreden van de advocaat die namens hem poogde tot een schikking te komen met de overheid en daarmee het bewijs leverde dat Capone wel degelijk over inkomsten beschikte en dus belastingplichtig was terwijl hij nog nooit een cent had afgedragen. Met die veroordeling eindigde de almacht van Capone en zou een nieuwe fase van zijn leven starten. Een fase die vanaf zijn veroordeling tot elf jaar gevangenisstraf in 1931 bestond uit zijn gevangenschap in achtereenvolgens Atlanta en Alcatraz en de ruim zeven jaar die hij tot aan zijn dood in 1949 in vrijheid leefde, maar met het mentale vermogen van een kind. Zijn zenuwstelsel was al lange tijd aangetast door syfilis waardoor hij mentaal hard achteruit ging. Zijn tijd in Alcatraz had het kunnen doen keren, maar de medische zorg daar was dermate ondermaats dat er uiteindelijk geen weg meer terug was. Bair werpt licht op deze periode die voor velen onbekend zal zijn en biedt daarmee – naast haar focus op de ‘zachte’ kan van het leven van Al Capone – een afgeronde biografie van de grootste misdadiger van de twintigste eeuw die ironisch genoeg niet wordt geveld door het geweld waar hij zijn faam aan te danken heeft, maar aan de onomkeerbare geestelijke achteruitgang die een groot misdadig genie reduceerde tot een dementerend kind. 

In januari is ‘Al Capone. Leven, Legende en Nalatenschap’ van Deirdre Blair bij Unieboek|Het Spectrum verschenen. Het betreft de Nederlandse vertaling door Conny Sykora en Vera Sykora van het eind oktober verschenen ‘Al Capone. His life, legacy and legend’. Deze recensie is ook verschenen bij online nieuwsmagazine Jalta.

dinsdag 7 maart 2017

Ballet Blue(s): Een heerlijke potpourri van 'blauwe' dans


De Dutch Don't Dance Division
Ballet Blue(s)

Choreografieën van Thom Stuart, Rinus Sprong,
Ed Wubbe, Ton Simons & Bronislava Nijinska

De Dutch Junior Dance Division
Koninklijke Schouwburg, Den Haag

Geïnspireerd door de blues, maar evenzo door barokmuziek en Tsjaikovski's balletklassieker De Schone Slaapster brengt De Dutch Junior Dance Division Ballet Blue(s). Een aanstekelijke potpourri van moderne én klassieke dans waarbij zelfs de grootste zwartkijker iets van zijn of haar gading vindt. Aan de 'blues' leidt je na deze productie niet meer. 

Afgelopen december vierde De Dutch Don't Dance Division (DeDDDD) artistiek én publiek succes met het door Esscher geïnspireerde en door dirigent-componist Carl Davis samengestelde "vierde ballet" van Tsjaikovski Alice in WinterWonderland. Zes volledig uitverkochte voorstellingen betekenden de meest succesvolle productie van 2016 in het Haagse Zuiderstrandtheater. No rest for the wicked want sinds 1 maart toert De Dutch Junior Dance Division (DeDJDD) met Ballet Blue(s) door Nederland. Dit nieuwe programma uit de koker van Rinus Sprong en Thom Stuart - samen vormen zij DeDDDD - is geïnspireerd door de blues en wordt uitgevoerd door DeDJDD: het meerjarige talentontwikkelingstraject voor getalenteerde en pas afgestudeerde dansers. Hoewel de dansers van DeDJDD jong zijn was daarvan in de Haagse Koninklijke Schouwburg niets van te merken. Van de 18-jarige Charly de Groote tot de ervaren Corinne Cilia en Youri Jongenelen (beide dansers hadden de hoofdrol in Alice in WinterWonderland), met zekerheid en beheersing voerden zij de potpourri aan dans uit. Want Ballet Blue(s) mag dan geïnspireerd zijn door de blues, uiteindelijk is de kleur blauw de werkelijke rode (!) draad die verschillende dansdisciplines verenigt in één avondvullend programma. 

Van Unico van Wassenaer tot Ry Cooder
De kern van Ballet Blue(s) wordt gevormd door twee uitgebreide choreografieën die zowel het programma voor als na de pauze openen. Het uit 2002 stammende, maar voor deze voorstelling geactualiseerde Blauw Bloed verbeeldt - op de barokmuziek Concerto Armonici van Unico Wilhelm van Wassenaer (1692-1766) - een avondvisite bij de adellijke familie Van Wassenaer waarbij de klassieke dans én bijbehorende barokke kostuums stukje bij beetje worden teruggebracht naar onze eigen tijd. Een stoelendans biedt daarbij een komische noot. Op muziek van Van Wassenaers bekendere tijdgenoot Antiono Vivalid - Winter uit De Vier Jaargetijden - wordt deze lijn voortgezet waarbij de synchrone choreografie opvallend goed werd uitgevoerd. Wie op grond hiervan denkt dat het toch wel heel veel barok is, vergist zich. Want één van de hoogtepunten was het duet tussen Lindy Bremer en Youri Jongenelen die op Ry Cooder's I Knew These People gestalte gaven aan een verstoorde relatie tussen voormalige geliefden. Het bijzondere hieraan is dat het grootste gedeelte van de choreografie plaats vindt op het gesproken woord en pas later in muziek overgaat. De choreografie "vertelt" daarbij het verloop van de relatie zonder te vervallen in gebaartjes en maniertjes die bij een potje Hints niet zouden misstaan. Vorig seizoen liet het NDT met The Statement ook al zien hoe muziek niet per se een voorwaarde is voor een boeiende choreografie. Dat is aan Thom Stuart, die tekent voor deze nieuwe choreografie, ook zeer goed besteed. 

Van solo tot teamwork
Deze balans werd ook na de pauze goed gehandhaafd. Eigenlijk zo dat er voor ieder altijd wat wils is. Dat is tegelijkertijd de kracht én zwakte van Ballet Blue(s). Wie een volstrekt samenhangende voorstelling zoals Alice in WinterWonderland verwacht, komt in die zin bedrogen uit. Maar het aardige aan Ballet Blue(s) is juist dat je in een avondvullend programma een enorme diversiteit aan dans aan je voorbij ziet trekken. Zo divers dat de meningen wat nu het beste was dan wel het meeste aansprak varieerde van bezoeker tot bezoeker. Wat betreft deze bezoeker was met name de tweede helft van het programma ijzersterk met een prachtige choreografie (uit 1989) van Ed Wubbe op Vivaldi's stemmige Nisi Dominus, maar ook de bijzondere solo Still Life III (1991) van Ton Simons waarbij Lindy Bremers, slechts begeleid door een enkele lichtbak en wat rook, een prachtige solo die veel concentratie en beheersing vraagt, innemend wist neer te zetten. De complete tegenstelling die ontstond door de klassieke De Blauwe Vogel uit Tsjaikovski's De Schone Slaaptster te programmeren werkt uitstekend én op de lachspieren. Ook Rinus Sprong van DeDDDD maakt - naast als choreograaf - zijn opwachting als niet onverdienstelijk zanger in One For My Baby van Arlen & Mercer waarbij een dronken stamgast zijn relatieproblemen wegdanst. De bluesmuziek van Cuby and the Blizzards door Thom Stuart vertaalt in een lijzige en synchrone groepschoreografie sloot de avond memorabel af. Het was veel blauw wat de klok sloeg, maar met een blue gevoel ga je zeker niet naar huis. 

Van 1 maart t/m 21 mei 2017 toert De Dutch Junior Dance Division door Nederland met 'Ballet Blue(s)'. De première vond op maandag 6 maart plaats in de Koninklijke Schouwburg te Den Haag. Deze recensie is op basis van die première. Meer info en tickets hier

zondag 5 maart 2017

Mata Hari in de schijnwerpers. 'The Spy' van Paolo Coelho


Dit jaar is het eindelijk zover: een eeuw nadat onze enige echte eigen femme fatale Mata Hari door Frankrijk als spion werd gefusilleerd, wordt het gerechtelijk dossier openbaar. Pas dan kan - hopelijk - voor eens en altijd vastgesteld worden of Mata Hari daadwerkelijk een spion was of slechts slachtoffer van krachten die zij wist aan te wakkeren, maar niet kon beheersen. Alle reden voor de Braziliaanse schrijver Paulo Coelho om zich voor zijn nieuwste roman te verdiepen in die wonderlijke vrouw uit Leeuwarden.

Het is niet vreemd dat Mata Hari – in 1876 geboren te Leeuwarden als Margaretha Geertruida Zelle – nog altijd tot de verbeelding spreekt. Een oer-Hollandse vrouw met een mondain leven vol intrige, daar heb je er in Nederland niet bepaald veel van. Het is dan ook niet verwonderlijk dat het leven van de sensuele danseres die uiteindelijk als spion voor de Duitsers tijdens de Eerste Wereldoorlog zou acteren nog altijd grote bekendheid geniet in Nederland. Een bekendheid die het Nationale Ballet eerder inspireerde om haar leven om te vormen tot een volledig nieuw en avondvullend ballet met muziek van Tarik O’Regan en in een choreografie van Ted Brandsen. Een ballet dat het komende seizoen hernomen wordt. En met het oog op het vrijgeven van haar dossier laat ook het Fries Museum zich niet onbetuigd en wijdt vanaf 14 oktober 2017 een tentoonstelling aan Mata Hari. Bijzonder genoeg kan Mata Hari ook in het buitenland op enige vorm van schijnwerpers rekenen. Want als een succesvolle en veelgelezen schrijver zoals de Braziliaan Paulo Coelho (1947) over je schrijft, kan het niet anders dan dat de bekendheid alleen maar verder zal toenemen. Met De Alchemist brak Coelho in 1988 door en van dit boek zijn tientallen miljoenen exemplaren verkocht. Zo’n vaart zal het met The Spy – in de Nederlandse vertaling uitgegeven door de Arbeiderspers als De Spion – vast niet lopen, maar het betekent wel dat een grote groep lezers in aanraking komt met een deel van de Nederlandse geschiedenis die allesbehalve Nederlands is.

Femme fatale
Want onze vaderlandse geschiedenis leent zich niet bepaald voor spionagethrillers, maar met Mata Hari hebben we toch een beetje onze eigen James Bond te pakken. Dat het na al die jaren nog steeds niet geheel duidelijk is of Mata Hari nu echt een spion voor de Duitsers was of dat ze slachtoffer is geworden van een heksenjacht zoals de Franse Dreyfus-affaire heeft de aantrekkingskracht van Mata Hari alleen maar groter gemaakt. Daar waar in de jaren na haar dood geen twijfel leek te zijn over haar schuld is dat beeld langzamerhand gaan kantelen. Wie het boek van Coelho – die in het nawoord aangeeft zich zoveel mogelijk op feiten te hebben gebaseerd – leest, zal reikhalzend naar de openbaarmaking van haar dossier uitkijken, maar stilletjes de conclusie trekken dat ze weliswaar allesbehalve onschuldig was, maar een (echte) spion toch zeker ook niet was. Niet voor niets wordt in The Spy met regelmaat verwezen naar de affaire rondom de Joods-Franse officier Alfred Dreyfus (1859-1935) die eind 19e eeuw werd beschuldigd van verraad en wiens zaak Frankrijk op de kop zette en antisemitisme een gezicht gaf. Overigens is die vergelijking wel wat gratuit aangezien de impact van de zaak-Mata Hari natuurlijk totaal niet in de schaduw kan staan van de Drefuys-affaire. In Nederland en ook wel daarbuiten mag het groot nieuws zijn geweest, maar dat zat natuurlijk vooral in het feit dat het een ‘exotische’ femme fatale betrof: sex sells. Een diepere laag rondom een maatschappelijk thema zoals in de Dreyfus-affaire met een latent antisemitisme mist hier natuurlijk wel, hoewel de hysterie van oorlog en de positie van de vrouw natuurlijk wel degelijk elementen zijn in de zaak-Mata Hari. 

Een briefwisseling
Het aardige aan het boek van Coelho is dat hij het verhaal van Mata Hari beperkt en vlot vertelt. Startend bij haar executie wordt teruggeblikt op haar leven door een briefwisseling tussen Mata Hari en haar advocaat Clunet. Daarmee heeft Coelho’s boek veel meer het idee van een novelle. Een novelle die prachtig geschreven is en zeer makkelijk leest en daarmee (helaas) ook snel weer voorbij is. Dat heeft als nadeel dat het soms wat oppervlakkig kan aanvoelen en dat Coelho wel met erg grote stappen door het leven van Mata Hari banjert. Tegelijkertijd leidt deze aanpak tot schoonheid door eenvoud en is The Spy een bijzondere prettige introductie op een polderspion waar we allemaal veel over hebben gehoord, maar waarschijnlijk evenzo weinig van weten. Met 2017 als het jaar van de waarheid een goede manier om je opnieuw te verdiepen in een vrouw die leefde voor de schijnwerpers en zo haar dood vond. 

Eind vorig jaar is ‘The Spy’ van Paulo Coelho verschenen. Naast deze Engelstalige vertaling door Zoë Perry is ook een Nederlandstalige versie – ‘De Spion’ – verschenen.

zaterdag 25 februari 2017

Het Residentie Orkest eert Burgemeester Van Aartsen met Mahler en Berg


Berg: Sieben frühe Lieder
Mahler: Symfonie Nr. 4

Olena Tokar, sopraan
Vincent Rietveld, acteur
Aus Greidanus sr., regisseur

Masterstudenten van het 
Koninklijk Conservatorium Den Haag
Nicholas Collon, Residentie Orkest
Zuiderstrandtheater, Den Haag

Met prachtige en gedreven uitvoering van de Sieben frühe Lieder van Alban Berg, maar vooral een onberispelijke uitvoering van de Vierde Symfonie van Gustav Mahler eerde het Residentie Orkest vertrekkend burgemeester Jozias van Aartsen. Tegelijkertijd toonde het orkest aan dat Den Haag – mede vanwege de grote steun van Van Aartsen en de gemeente – wederom beschikt over een toporkest. 

Sommige dingen laten zich niet plannen, maar pakken onverwacht goed uit. Toen Jozias van Aartsen afgelopen oktober liet weten dat hij per 1 maart 2017 afscheid zou nemen als burgemeester van Den Haag was het nieuwe seizoen van het Residentie Orkest al gaande. Op 23 februari nam Van Aartsen afscheid tijdens een Buitengewone Vergadering van de Gemeenteraad gevolgd door een afscheidsfeest in de Fokker Terminal. Een dag later bood het Residentie Orkest een concert aan ter gelegenheid van zijn afscheid. Een concert dat weliswaar al gepland stond, maar uiteindelijk door zowel het programma als de hoge kwaliteit van de uitvoering een wel heel erg passend afscheidscadeau betekende voor de man die veel heeft betekend voor de internationale stad van vrede en recht in het algemeen en het Residentie Orkest in het bijzonder. Want Van Aartsen – in de overtuiging dat een grote stad als Den Haag zowel over een voetbalclub in de eredivisie als een toporkest dient te beschikken – heeft zich als geen ander ingezet voor het voortbestaan van het Residentie Orkest. Na een aantal moeizame jaren en met steun van de gemeente heeft het orkest de weg naar de top weer gevonden. Onder leiding van de jonge en nieuwe vaste dirigent Nicholas Collon liet het Residentie Orkest het gelijk van Van Aartsen volop klinken en bood daarmee het perfecte afscheidscadeau aan. 

De innemende en uitmuntende Olena Tokar
Zoals inmiddels van het Residentie Orkest verwacht mag worden, is een concert altijd net een tikkeltje anders dan een regulier concert. Ditmaal werd – onder regie van Aus Greidanus sr. – het publiek verwelkomd door acteur Vincent Rietveld die voor de gelegenheid in de huid gekropen was van componist Alban Berg (1885-1935). Berg wist – net als Mahler – de Romantiek te koppelen aan de atonaliteit en creëerde daarmee een volstrekt nieuw en eigen geluid. Helaas heeft hij zelf niet kunnen genieten van zijn voortrekkersrol aangezien hij als Joodse componist in het almaar antisemitischer Wenen in 1935 in ellende en door bloedvergiftiging overleed. Rietveld verplaatste zich echter in Berg als ambtenaar bij het Ministerie van Defensie van Oostenrijk-Hongarije ten tijde van de Eerste Wereldoorlog. Een positie die hij had te danken aan het feit dat zijn vrouw, naar wordt aangenomen, een dochter van Keizer Frans Jozef was. Op deze wijze werd duiding gegeven aan zijn Sieben frühe Lieder die hij ruim voor de oorlog schreef en er pas ruim na zou orkestreren. Prachtige Romantische teksten zweven via de sopraanstem door de atonale muziek van Berg met een hypnotisch resultaat. Zeker in de handen van het Residentie Orkest onder leiding van Nicholas Collon dat een perfecte begeleider bleek voor de uitmuntende Oekraïense sopraan Olena Tokar. Tokar die het gevoel van de liederen perfect wist over te brengen. Met een stem die als stabiel baken door de atonale wateren van Berg voer.

Een “rijk” orkest dat haar dirigent met verve volgt
Na de pauze liet Tokar weer van zich horen, maar dan in het slotdeel van de Vierde Symfonie van Gustav Mahler (1860-1911). Deze combinatie van Berg en Mahler is een zeer logische. Niet alleen omdat beide componisten exponenten zijn van het Weense fin-de-siècle, maar ook omdat de Rückert-Lieder van Mahler de inspiratie voor Berg vormden voor zijn liederenreeks. Niet voor niets wordt de gelauwerde cd-opname van Mahler’s Vierde Symfonie door het Koninklijk Concertgebouworkest onder Riccardo Chailly vergezeld door deze liederen. En ook hier wist Vincent Rietveld, wederom in de rol van Alban Berg, deze verbintenis nader te duiden en verliet hij uiteindelijk het toneel mijmerend over hoe mooi het zou zijn wanneer “zijn” liederen in een concert samen zouden klinken met de Vierde Symfonie van Mahler. Hoewel het Residentie Orkest – in het kader van afspraken met het Rotterdams Philharmonisch Orkest – eigenlijk niet meer de omvang heeft voor een werk als deze, was het podium van het Haagse Zuiderstrandtheater gevuld met een uitgebreid orkest. Want om dit soort werken te brengen, toont het Residentie Orkest de kracht van samenwerking door Masterstudenten van het Koninklijk Conservatorium in de rangen op te nemen, waardoor een zeer “rijk” geluid ontstond. Dirigent Nicholas Collon had een duidelijk beeld wat hij met de symfonie wilde: gedreven, lyrisch en transparant en heeft inmiddels een dermate band met het orkest gesmeed waardoor hij met verve gevolgd wordt. Hoewel deze symfonie de meest toegankelijke en lyrische is van Mahler’s symfonieën weet alleen een uitstekende uitvoering een publiek in vervoering te brengen. Want zodra de techniek niet in orde is of een tempo verkeerd wordt genomen, neemt de impact van het stuk dramatisch af. Maar daar was gisteren in het geheel geen sprake van. Het uur dat de symfonie duurt, vloog voorbij en kreeg een prachtige finale met Olena Tokar die het hemelse leven op uitmuntende wijze bezong in Das himmlische Leben. Na het wegsterven van de laatste noot bleef het lange tijd doodstil in het uitverkochte Zuiderstrandtheater. Niet voor niets want met dit concert heeft het Residentie Orkest aangetoond dat Den Haag wederom over een toporkest beschikt en daarmee haar burgemeester op de best mogelijke wijze eert.

Copyright foto: Julie Algra / Residentie Orkest

Onder leiding van vaste dirigent Nicholas Collon voert het Residentie Orkest op 24 en 26 februari 2017 werken van Alban Berg en Gustav Mahler uit. Ter gelegenheid van het afscheid van Jozias van Aartsen als burgemeester van Den Haag stond het concert van 24 februari in dat teken. Deze recensie is op basis van de uitvoering op 24 februari. Meer informatie en kaarten bestellen voor het concert op 26 februari hier. Deze recensie is gelijktijdig verschenen bij online nieuwsmagazine Jalta.

woensdag 22 februari 2017

Concert 21 februari 2017: Liefde voor Bach in de Rotterdamse Doelen


Johann Sebastian Bach
Sinfonia uit Cantate BWV42 Am Abend aber desselbigen Sabbats 
Cantate BWV56 Ich will den Kreuzstab gerne tragen
Cantate BWV158 Der Friede sei mit Dir
Concert voor hobo, viool, strijkers en basso continuo, BWV1060R
Cantate BWV82 Ich habe genug

Matthias Goerne (bariton)
Christina Roterberg (sopraan)
Isabelle Rejall (alt)
Florian Feth (tenor)

Gottfried von der Goltz (viool), Katharina Arfken (hobo)
Freiburger Barockorchester
De Doelen, Rotterdam

Liefde voor muziek, liefde voor Bach. Dat in een notendop is wat het Freiburger Barokorchester samen met bariton Matthias Goerne zonneklaar maakte in een volledig Bach-programma. Een programma van louter hoogtepunten met naast de diepdonkere stem van Goerne een prachtige hoofdrol voor hobo-soliste Katharina Arfken.

Op een doordeweekse dinsdagavond een eenmalige concert van het eminente barokgezelschap Freiburger Barockorchester met in haar kielzog bariton Matthias Goerne. Je kan het in Rotterdam slechter treffen. Hoewel De Doelen verre van vol was, voelde deze voller aan dan je op grond van het aantal verkochte plaatsen zou denken. Niet alleen werd de zaal "gevuld" door het prachtige musiceren van deze barokspecialisten, maar ook de manier waarop het publiek dit waardeerde. Want waar in De Doelen het hoesten, geritsel en gefrutsel in de regel niet tot een minimum beperkt is, was het tijdens het gehele programma muisstil. Een zorgvuldig opgebouwd programma volledig gewijd aan Bach viel het gewillige publiek ten deel en zorgde voor een memorabele avond. Een programma met maar liefst drie cantates van Bach allen expliciet geschreven voor de solostem in het algemeen en de bariton (of bas) in het bijzonder. Een programma op het lijf geschreven van de vermaarde Duitse bariton Matthias Goerne die afsloot met de wonderschone cantate Ich have genug, een prachtige ode aan een levenseinde dat met vreugde tegemoet wordt gezien. Tussendoor liet het Freiburger Barockorchester ook de orkestrale Bach schitteren. Niet in de laatste plaats door het prachtige hobo-spel van soliste Katharina Arfken.

Authentiek, maar vooral met plezier
Het in 1987 opgerichte barokorkest richt niet alleen op de authentieke uitvoeringspraktijk, maar doet dit in de regel ook vaak zonder dirigent, terwijl solopartijen door leden van het orkest worden vervuld. Gottfried von der Goltz geeft met zijn viool de inzet aan, maar daar blijft het dan ook bij. Overigens is het orkest niet tegen een dirigent zoals een recente cd-opname van de Derde en Vierde Symfonie van Mendelssohn onder leiding van Pablo Heras-Casado duidelijk maakt. Wat - althans gisteravond - erg opviel is dat de leden van het orkest niet alleen zichtbaar genieten van het musiceren en dit geval het muzikale genie van Bach, maar juist ook van het gezamenlijk musiceren. Dat uit zich in kleine dingen zoals hoe de leden van het orkest naar elkaar kijken, hoe ze met elkaar omgaan, maar vooral de vrolijkheid waarmee ze op het podium staan. In het programma was niet alleen ruimte in de schijnwerpers voor de stem van Matthias Goerne, maar ook voor de eigen musici. Met sprankelende uitvoeringen van de Sinfonia uit de cantate Am Abend aber desselbiger Sabbats, maar vooral het Concert voor hobo, viool, strijkers en basso continuo toonde het gezelschap haar virtuositeit.  Een concert dat overigens een reconstructie van de oerversie van het Concert voor twee klavecimbels. In dit concert, maar eigenlijk het gehele programma, was een hoofdrol weggelegd voor Katharina Arfken die exemplarisch is voor hoge kwaliteit in combinatie met veel plezier. Haar spel was een genot om naar te luisteren en gaf de al op voorhand fijne muziek van Bach een extra dimensie. 

Matthias Goerne in zijn sas
Deze Katharine Arfken was tijdens de diverse cantaten de gelijkwaardige muzikale partner van de innemende bariton Matthias Goerne. Zo dansten de bariton-stem en de klanken van de hobo met elkaar en om elkaar heen in bijvoorbeeld het eerste deel van de magistrale cantate Ich habe genug. Het kan niet anders dan dat Goerne en het Freiburger Barokorchester een lange en diepe band hebben, zo ingespeeld dat ze op elkaar waren. En ook hier spatte het plezier er weer vanaf terwijl de diepdonkere maar vooral ook warme stem van Goerne de rest deed. Bij de eerste cantate, het prachtige en bekende Ich will den Kreuzstab gene tragen had de balans tussen orkest en Goerne, met name in het begin, iets beter gekund, maar gaandeweg de avond was Goerne geheel opgewarmd en in zijn element. Hij werd daarbij overigens op uitstekende wijze ondersteund door een drietal aanvullende solisten die met name de koralen voor hun rekening namen. Sopraan Christina Roterberg was daarbij magnifiek in haar duet met Goerne in de aria Welt, ade, zich bin dien müde uit de cantate Der Friede sei mit dir. Kortom: een geweldige avond die het de pracht en praal van de muziek van Bach én het belang van plezier onderstreept. Dat hebben Matthias Goerne en het Freiburger Barockorchester heel goed begrepen.

Op dinsdag 21 februari 2017 was het Freiburger Barockorchester - samen met bariton Matthias Goerne - te gast in De Doelen te Rotterdam voor een volledig Bach-programma.

maandag 20 februari 2017

Concert 19 februari 2017: Bernard Haitink's finale verzoening


Debussy: Prélude à l'après d'un faune
Debussy: Trois Nocturnes
Bruckner: Symfonie nr. 7

Dames van het Nederlands Kamerkoor
Bernard Haitink, Koninklijk Concertgebouworkest
Concertgebouw, Amsterdam

Voor de derde keer in nog geen zes maanden was Bernard Haitink weer te gast in het Amsterdamse Concertgebouw. En net als zes maanden geleden stond Bruckner's meest lyrische symfonie op het programma. Maar dat Haitink voor het eerst in jaren weer het Koninklijk Concertgebouworkest dirigeerde was zonder meer bijzonder. Met een zelfgekozen programma van Bruckner en Debussy verzoende Haitink zich met het orkest dat zich volledig overgaf aan haar eredirigent. 

Vorige maand was Haitink nog te bewonderen in een serie concerten gewijd aan Mozart en Schubert met het Chamber Orchestra of Europe dat een bijzondere plek in zijn muzikale hart heeft verworven. En afgelopen zomer speelden de jonge musici van het European Union Youth Orchestra met hart en ziel voor hun muzikale idool. Nu was het de beurt aan het eminente Koninklijk Concertgebouworkest om haar eredirigent opnieuw te verwelkomen in het Concertgebouw. Een welkom dat ondanks de lange verbintenis niet vanzelfsprekend is. Want sinds het met rumoer omgeven vertrek van Haitink als chef-dirigent van het toen nog niet-Koninklijke Concertgebouworkest heeft er op de relatie tussen de gewezen chef en zijn orkest altijd spanning gestaan. Een spanning die eens in de zoveel tijd uitmondde in een verwijdering. Een verwijdering die - na twee seizoenen van prachtige Bruckner-uitvoeringen (in 2012 de Vijfde Symfonie en in 2013 de Achtste Symfonie) - naar aanleiding van het 125-jarig bestaan opnieuw was ontstaan en pas recent weer was bijgelegd. Na het roken van de vredespijp heeft Haitink carte blanche gekregen voor een serie van drie concerten. Een serie in het teken van componisten die Haitink als geen ander begrijpt en waarmee hij al tientallen jaren grote successen heeft gevierd, zowel in de concertzaal als op cd: Claude Debussy en Anton Bruckner. Inmiddels is ook bekend geworden dat Haitink in het seizoen-2017/2018 de door hem zeer geliefde Negende Symfonie van Mahler met het Koninklijk Concertgebouworkest ten gehore zal brengen. Dezelfde symfonie die hij in het kader van de inmiddels legendarische Mahler-reeks voor het laatst bij het KCO in 2011 dirigeerde en tegelijkertijd het muzikale einde betekende van het tijdperk-Haitink bij het Concertgebouworkest. Want tijdens zijn laatste wereldwijd uitgezonden Kerstmatinee op 25 december 1987 bracht Haitink deze Negende Symfonie ten gehore die eindigde met zijn baton die bij het wegsterven van de laatste noot uit zijn hand viel.

Het impressionisme van Debussy
Over een kleine twee weken viert Haitink zijn 88e verjaardag dus het is te begrijpen dat Haitink geen garanties geeft rondom zijn toezeggingen. En wie hem de laatste tijd de zijtrap (de trapafdaling die het Concertgebouw kenmerkt is al lange tijd geen optie meer) op ziet komen, vraagt zich wellicht af hoelang we nog van Haitink kunnen genieten. Maar zodra de oude maestro zijn positie op de bok heeft genomen en de muziek een aanvang neemt, lijkt Haitink gaandeweg het concert de jaren af te schudden. En dat is ook niet zo vreemd, want de impressionistische muziek van Claude Debussy (1862-1918) is Haitink op het lijf geschreven. Zijn opname voor Philips van eind jaren zeventig van diverse orkestrale werken van Debussy is nog altijd een gewilde benchmark-opname. Haitink's gevoel voor deze essentiële Franse componist die de Romantiek van zich wierp en zich richtte op een impressionistische muziekstijl die nog altijd tot de verbeelding spreekt. Een compleet andere muziekstijl dan de Zevende Symfonie van Bruckner die slechts tien jaar eerder werd gecomponeerd. Geïnspireerd door het gedicht van Stéphane Mallarmé (1842-1898) geeft Prélude à l'après d'un fauna  een indruk van een faun die uit een diepe slaap ontwaakt en jacht maakt op enkele nimfen. De drie Nocturnes zijn nog minder "programmatisch" en weerspiegelen de lucht, een feestelijke volksscène en verleidelijke Sirenes. Haitink weet als geen ander het palet van Debussy op transparante en meeslepende wijze naar voren te brengen. Niet in de laatste plaats door de prachtige fluitsolo van Kersten McCall. En natuurlijk door de overige leden van het Koninklijk Concertgebouworkest die natuurlijk niet alleen kwalitatief van zeer hoog niveau zijn, maar bij dit concert zich ook echt overgaven aan hun eredirigent. Met name in de Prélude leidde dit tot een kippenvel-moment bij de culminatie zo halverwege het stuk wanneer de transparante klank voor het eerst (en eigenlijk ook voor het laatste) gebruik maakt van de volledige omvang van de niet onaanzienlijke orkestbezetting. Maar ook de bijdrage van de dames van het Nederlands Kamerkoor in  de derde Nocturne Sirènes vormde een hoogtepunt voor de pauze.

Het lyrische succesnummer van Bruckner
Een half jaar geleden wist Haitink het European Union Youth Orchestra een intense uitvoering te ontlokken van de enige symfonie die Bruckner bij leven onverdeeld succes heeft gebracht. Nu dus wederom deze symfonie maar dan met het Koninklijk Concertgebouworkest. De vraag in hoeverre dit concert in het algemeen en de uitvoering van deze symfonie in het bijzonder nu daadwerkelijk bijzonder is, is lastig te beantwoorden. De eerste concert in deze reeks op donderdag ontlokte bij Erik Voermans een euforische recensie in het Parool terwijl Volkskrant-recensent Guido van Oorschot enige teleurstelling over hetzelfde concert niet wist te onderdrukken. Toch is het feit dat Haitink weer voor het KCO stond en het gevoel dat dit weleens de laatste keer kon zijn een belangrijk onderdeel van het gevoel over dit concert. Een gevoel dat niet alleen door het publiek, maar juist ook (zichtbaar) door het orkest werd gedeeld. Want net als het European Union Youth Orchestra gaf het KCO zich helemaal over aan Haitink. En juist deze sense of occasion zorgde niet alleen dat het concert een bijzondere lading had, maar juist ook in de uitvoering kreeg. De lyrische en - zeker in het Adagio - ook tragische Zevende Symfonie kreeg de uitvoering die het verdient: een prachtige opbouw, wonderschoon spel en uitmuntende spanning. Een symfonie van de vrome Anton Bruckner (1824-1896) die weliswaar van een andere generatie is dan Debussy waar wiens werken die dit concert vormen slechts een decennium uit elkaar liggen. Maar qua klankkleur compleet verschillende werelden vormen en daarmee een prachtige symbiose vormden. Niet in de laatste plaats omdat het zo overduidelijk de persoonlijke keuzes van Haitink zijn. Het concert eindigde daarom zoals het alleen maar kon eindigen: in een stormachtig applaus. Een applaus dat niet alleen Haitink eert voor dit concert, maar vooral voor hij betekent en hopelijk nog heel lang gaat betekenen voor het muzikale leven in Nederland en daarbuiten. 

Op 16, 17 en 19 februari 2017 was eredirigent Bernard Haitink te gast bij het Koninklijk Concertgebouworkest met werken van Debussy en Bruckner. Deze recensie is op basis van de laatste uitvoering op 19 februari.