dinsdag 15 augustus 2017

De twee gezichten van Richard Nixon. 'Richard Nixon. The Life' van John A. Farrell


Vorige week was het precies 43 jaar geleden dat Richard Nixon voor het laatste het Witte Huis verliet als eerste en vooralsnog enige President van de Verenigde Staten die voortijdig moest aftreden. Inmiddels kan een flinke boekenkast gevuld worden met boeken over Richard Nixon. John A. Farrell doet met Richard Nixon. The Life ook een duit in het zakje. Maar goed ook, want deze nieuwe biografie is een evenwichtige en waardevolle bijdrage aan de duiding van het enigma dat Nixon nog altijd is. 

De 37e President van de Verenigde Staten is een man van twee gezichten. Richard Milhous Nixon (1913-1994) was de man die grote internationale successen vierde door de deur naar China te openen en verstrekkende afspraken over ontwapening met Rusland te maken, maar ook zich niet onbetuigd liet in de binnenlandse politiek onder andere op het gebied van milieu en burgerrechten. Maar het was ook de man van Watergate waarbij de befaamde Nixon Tapes niet alleen duidelijk maakten dat hij indirect verantwoordelijk was voor de inbraak in het hoofdkwartier van de Democratische Partij maar ook de opdracht gaf om de inmenging van het Witte Huis te verdonkeremanen. Opnames die tegelijkertijd ook een inkijkje gaven in het andere – vulgaire - gezicht van Nixon: vloekend en tierend over alles en iedereen, maar in het bijzonder de liberale elite, zwarte Amerikanen en Joden. Een gezicht dat hij in het openbaar weinig liet zien, behalve toen hij zich na de verloren verkiezing voor gouverneur van Californië liet gaan tijdens zijn “laatste” persconferentie op 7 november 1962: “You don’t have Nixon to kick around any more, because, gentleman, this is my last press conference”. Na deze verloren verkiezing leek het gedaan met de politieke carrière van Nixon. Een carrière die hem via het Congres – als achtereenvolgens lid van het Huis van Afgevaardigden en Senator – naar het Witte Huis bracht als vicepresident onder Dwight D. Eisenhower. De nipt van John F. Kennedy verloren verkiezingen voor het presidentschap in 1960 vormden zijn eerste echte nederlaag terwijl die avond in het Beverly Hilton Hotel definitief een einde leek te maken aan zijn politieke carrière. Naar aanleiding van dit verlies zond de Amerikaanse zender ABC zelfs de half uur durende special The Political Obituary of Richard Nixon uit. Maar Nixon zou wel degelijk het Witte Huis bewonen. De moord op Kennedy en het presidentschap van Johnson overschaduwd door de Vietnamoorlog zou de basis leggen voor de terugkeer van Nixon die in 1972 met record brekende overmacht herkozen zou worden terwijl de fatale wonden van Watergate – zonder het te weten – al geslagen waren. 

Fair and balanced
Het is bijzonder lastig om een goede biografie van Nixon te schrijven juist vanwege zijn twee gezichten. Fair and balanced – en dan niet in de betekenis van Fox News – is lastig wanneer een politicus zulke tegengestelde emoties los maakt. Tegelijkertijd is er al zoveel over hem, maar ook door hemzelf geschreven dat je je kunt afvragen wat een nieuwe biografie nog toevoegt. Lang heb ik uit de voeten gekund met de evenwichtige biografie uit 2007 Richard M. Nixon: A Life in Full van de zelf in ongenade gevallen krantenmagnaat Conrad Black (die overigens ook een uitstekende biografie van Franklin Delano Roosevelt op zijn naam heeft staan) aangevuld met de boeken van Bob Woodward en Carl Bernstein over Watergate en boeken gericht op de opening naar China en de bijzondere verhouding met Kissinger. Het knappe van de nieuwe biografie van John Farrell is dat hij het voor elkaar heeft gekregen om het enigma Nixon te vangen in een ééndelige biografie van net iets meer dan 550 pagina’s. Gezien de complexiteit van Nixon en zijn enorme politieke carrière een grootse prestatie. Niet in de laatste plaats omdat Farrel het voor elkaar krijgt om zich niet louter op hoofdlijnen te richten. Enige kennis van het politieke systeem en geschiedenis van de Verenigde Staten is handig, maar ook voor Nixon-amateurs is dit een zeer toegankelijk boek dat ook nog eens vlot geschreven is en daardoor fijn leest. Het aardige daarbij is dat ondanks het feit dat Nixon inmiddels ruim twintig jaar geleden overleed en door de Nixon Tapes al veel bekend is er nog altijd nieuwe dagboeken en geheime documenten opduiken. Farrell maakt gebruik van de nieuwste inzichten. Dit leidt niet tot een ander beeld van Nixon, maar kleurt een en ander wel verder in. Zo is hij zeer gedetailleerd over Nixon’s eerste verkiezing tegen de links-liberale Jerry Voorhis en bewijst hij dat Nixon – via de Republikeinse fondsenwerver Anna Chennault – een mogelijke vredesdeal torpedeerde in de aanloop naar de voor hem succesvolle presidentsverkiezingen in 1968. Een flink staaltje van landverraad. Die verkiezing - een driestrijd met Democraat Hubert Humprey en de Dixiecrat George Wallace – won hij niet bepaald overtuigend. Een ander nieuwtje – althans voor deze lezer – was hoe de Republikein Nixon zich – in zijn latere jaren weliswaar - opstelde ten opzichte van homoseksualiteit. In een terzijde meldt Farrell dat toen de Nixons in 1980 Californië verruilden voor New York hun laatste dinergasten een voormalige assistent en zijn vriend waren. Farrell stelt dat Nixon – uiteraard niet alleen op grond van één diner – het gedachtegoed van de jaren zestig achter zich liet. Een ontwikkeling die hem – met name ook op ander gebied – steeds verder op afstand deed komen van het conservatieve deel van de Republikeinse Partij dat in weinig meer lijkt op de partij waar hij groot in werd.

Nixon in perspectief
Los van deze nieuwtjes en het feit dat het een goed geschreven biografie is, onderscheidt Richard Nixon. The Life zich vooral door het feit dat het Nixon in perspectief plaatst. Allereerst in het perspectief van zijn sociale achtergrond en de interne strijd tussen de karaktertrekken van zijn vader en die van zijn moeder. Farrell plaats dat onder andere in het perspectief van zijn ambigue houding ten opzichte van de burgerrechtenbeweging: 

And yet. If Nixon’s behavior on the rights of black Americans reflected his political calculations, it also showed the striations in his character. He would not have gotten to be president without that streak of Frank Nixon’s feistiness: after years of rising in a cutthroat business with no cause to carry him but his own wits, gall, and footwork, Nixon was crafty and expedient. He was a son of Southern California conservatism, with an old-fashioned veneration of values like property, order, word, and duty. But he was, as well, Hannah Nixon’s boy – a sensitive man, raised in the Quaker faith, with a feel for underdogs and outsiders.
Dat gevoel voor underdogs en outsiders paste hij ook op zichzelf toe waardoor hij zich vaak slachtoffer waande van de machinaties van een elite waar hij nooit toe had behoord of zou behoren. Enerzijds bevestigt dit het paranoïde karakter van Nixon en vormt dit de verklaring voor zijn onuitputtelijke én succesvolle drang om een politieke reus te worden én is het ook de verklaring waarom Nixon uiteindelijk zichzelf politiek te grave droeg. Anderzijds plaatst Farrell dit gevoel in perspectief en maakt daarmee duidelijk dat hoewel Nixon vooral spoken zag hij desalniettemin wel degelijk een punt had. Niet alleen omdat er wel degelijk tegenstanders waren die op zijn val uit waren, maar ook dat het spioneren van vijanden, het opnemen van gesprekken en de macht van de overheid inzetten tegen vijanden gemeengoed was voor een preisdent: zijn voorgangers waren er ook niet vies van. Van de heilig verklaarde Eisenhower tot de machtspoliticus par excellence Roosevelt en zeker Kennedy en Johnson. Het probleem voor Nixon was dat hij in een tijd president werd waar dit niet alleen niet meer geaccepteerd werd, maar dat deze machinaties ook zichtbaar waren. Dat betekent overigens niet dat het lot van Nixon buiten zijn schuld om was, maar het geeft veel meer reliëf aan een – in alle betekenissen van het woord – bijzondere presidentschap. Een presidentschap dat diepe dalen en historisch verstrekkende hoogtepunten kent. Een presidentschap met twee gezichten dat misschien wel mooi wordt verbeeld door de laatste foto van het Nixon-gezin aan de vooravond van zijn gedwongen vertrek uit het Witte Huis. Een bijna ongemakkelijk en onwerkelijk beeld van een gelukkig gezin. Toen het gezin klaar was met deze exercitie maakte de fotograaf nog een foto: van Nixon omhelst door zijn dochter Julie. Het verdriet en de wanhoop spat eraf. Zijn afscheidsrede in het Witte Huis bevat de dubbelzinnigheid van Nixon: “because only if you’ve been in de deepest valley can you ever know how magnificent it is to be on the highest mountain.” Tegelijkertijd blijkt ook – uiteindelijk – de zelfkennis over wat hem ten gronde heeft gebracht: “Always remember others may hate you, but those who hate you don’t win unless you hate them and then you destroy yourself.” 

‘Richard Nixon. The Life’ van John A. Farrell is maart jl. verschenen in de Verenigde Staten. De Europese editie wordt in oktober gepubliceerd. Deze recensie is eerder verschenen bij online nieuwsmagazine Jalta.

maandag 7 augustus 2017

Concert 6 augustus 2017: De 'Onvoltooide' van Schubert eindelijk voltooid?


Robeco SummerNights 2017

Berwald: Ouverture Estrella de Soria
Brahms: Vioolconcert
Schubert: Symfonie Nr. 8 Unvollendete (bew. Mario Venzago)

Arabella Steinbacher (viool)
Kevin John Edusei, Münchner Symphoniker
Concertgebouw, Amsterdam

Na het geslaagde debuut vorig jaar is de Münchner Symphoniker onder leiding van Kevin John Edusei ook dit jaar weer van de partij bij de Robeco SummerNights. Een heerlijk Romantisch programma met muziek van Berwald, Brahms en Schubert vormt het uitgangspunt voor een geslaagd concert. Een concert met een novum: de voltooide "Onvoltooide" van Schubert. 

De Robeco SummerNights in het Amsterdamse Concertgebouw zijn al sinds jaar en dag vast prik voor muziekliefhebbers die in de concertluwe zomermaanden aan hun trekken willen komen. Met een toegankelijk programma van klassieke muziek, maar ook jazz en pop weet het Concertgebouw in de maanden juli en augustus veelal volle zalen te trekken. Hoewel de programmering niet bepaald avontuurlijk is, biedt de serie wel de mogelijkheid om ensembles en orkesten te horen die normaliter niet snel het Concertgebouw aan doen. Een mooi voorbeeld hiervan is de Münchner Symhponiker. Eén van de vier (!) orkesten die de stad München rijk is. Onder leiding van de energieke en jonge Kevin John Edusei (1976) timmert dit in het klassieke Romantische repertoire gespecialiseerde orkest aan de weg. Weliswaar in de schaduw van met name het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks onder leiding van Mariss Jansons en de Münchner Philharmoniker waar Valeri Gergiev de scepter zwaait. Het vierde orkest in het drukke muzikale leven van München is het orkest van de Bayerischen Staatsoper. Vorig jaar maakte het in 1945 opgerichte Münchner Symphoniker een mooi debuut met een ouverture van Verdi, Tsjaikovski's Vioolconcert en de Italiaanse symfonie van Mendelssohn. Hoewel het vioolspel van Simone Lamsma wat tegenviel, was het zonder meer een meer dan goede avond. De formule van een ouverture, vioolconcert en symfonie is ook dit jaar weer ter hand genomen, maar ditmaal een ouverture van de relatief onbekende Zweedse componist Franz Berwald, het Vioolconcert van Johannes Brahms en de 'Onvoltooide' van Franz Schubert. Hoewel de bijnaam van die laatste niet klopt aangezien Edusei naar Amsterdam is getogen met de voltooide versie van de Achtste Symfonie. Een voltooide 'Onvoltooide' dus.

De immer elegante Arabella Steinbacher
Niet alleen een partituur met twee extra delen Schubert kwamen met Edusei mee naar Amsterdam, ook de relatief onbekende Zweedse componist Franz Berwald (1796-1868) had een plekje in zijn bagage verworven. Althans de ouverture van zijn liefdesopera Estrella de Soria die een heerlijke energieke start van het zomerconcert betekende. Maar naast deze twee partituren had Edusei ook violiste Arabelle Steinbacher mee. Steinbacher is een graag geziene gast bij de Robeco SummerNights waar zij in 2015 nog een elegante en technisch zeer begaafde vertolking ten gehore bracht van het Vioolconcert van Tsjaikovski. Een geliefd vioolconcert dat tot de absolute top hoort in het genre van het Romantische vioolconcert. Een top die verder bestaat uit de vioolconcerten van Beethoven, Mendelssohn en Sibelius. En natuurlijk het vioolconcert van Johannes Brahms (1833-1897) dat opgedragen is aan de violist Joseph Joachim en overeenkomsten heeft met het vioolconcert van Beethoven. Met name in het uitgebreide eerste deel waar een lange en heerlijke orkestrale introductie de weg plaveit voor prachtig vioolspel. Een vioolspel dat aan Steinbacher wel toevertrouwd is. Dezelfde elegantie en technische bekwaamheid die haar twee jaar geleden kenmerkte, was ook nu weer volop aanwezig. Het samenspel met de Münchner Symphoniker - op een wat hobbelige herintroductie van het orkest na haar solo aan het einde van het eerste deel na - was zonder meer goed en was niet in de laatste plaats te danken aan de heldere en levendige dirigeerstijl van Edusei. Een samenspel dat zich ook liet gelden in lyrische tweede en Hongaars aandoende derde deel. Het publiek lustte er wel pap van en beloonde - nogal hinderlijk - ieder deel van het vioolconcert met een applaus.

Gebrek aan mysterie en majesteit 
Ook na de pauze zette deze trend zich voort en mocht ieder deel van de Achtste Symfonie van Franz Schubert (1797-1828) zich "verheugen" op applaus van in ieder geval een deel van het publiek. Normaal zou dit overigens minder erg zijn aangezien de 'Onvoltooide' niet voor niets zo heet en slechts twee delen telt. Edusei heeft echter gekozen voor een versie van de symfonie die door Mario Venzago is gecompleteerd en daarom het reguliere aantal van vier delen kent. Bijzonder aangezien het nooit helemaal duidelijk is geworden waarom de symfonie slechts twee delen telt. Was Schubert tevreden met de twee delen, was zijn inspiratie op of zijn de laatste twee delen verloren gegaan? We zullen het nooit weten. Wat wel bekend is, is dat een schets van een Scherzo door Schubert is nagelaten, maar dat van een vierde deel geen noot is teruggevonden. Dit heeft de Zwitserse dirigent Mario Venzago niet weerhouden om de 'Onvoltooide' te voltooien. Bekend geworden van zijn nieuwe kijk op en intrigerende uitvoeringen van de symfonieën van Bruckner heeft hij Schubert's meesterwerk voltooid door vooral te putten uit Schuberts toneelmuziek bij Rosamunde  die rond dezelfde tijd tot stand kwam. Deze twee nieuwe delen zijn onmiskenbaar Schubertiaans en heerlijk om naar te luisteren. Maar ondanks dat het prachtige en mysterieuze beginthema een rentree maakt in het laatste deel, was wel heel duidelijk te horen dat de toneelmuziek van Rosamunde het mysterie en het majesteitelijke mist van de twee eerste delen. Het komt daarom - althans voor deze luisteraar - niet helemaal samen, hoewel het niet bepaald een straf is om dubbel zoveel Schubert in een programma te hebben. Aan de uitvoering lag het overigens ook niet. Edusei en zijn Münchner musici kwijten zich uitstekend van hun taak. Wel opvallend was dat het tempo van de symfonie - althans de alom bekende eerste twee delen - sneller dan gebruikelijk was. Niet per se vervelend, maar soms niet altijd passend. Misschien lag de tempokeuze ook wel besloten in het feit dat de symfonie door de Venzago-toevoegingen bijna twee keer zo lang is geworden en dat daarom een sneller tempo door Edusei noodzakelijk wordt geacht om de spanning erin te houden. Hoe het ook zij: het was misschien niet het meest geslaagde experiment, maar dat mocht de pret allerminst drukken en dit concert - net als het debuut vorig jaar - blijft een warme aanbeveling voor de Münchner Symphoniker voor een terugkeer volgend jaar. En Edusei bevestigt - na het debuut vorig jaar, maar ook een zeer geslaagde concertante uitvoering van de opera Nixon in China van John Adams afgelopen februari in het Concertgebouw - een dirigent te zijn die het volgen waard is.


Lees hier de recensie van het debuut van de Münchner Symphoniker bij de Robeco SummerNights in 2016.

In juli en augustus vinden in het kader van de Robeco SummerNights een reeks zomerconcerten plaats. Na een (geslaagd) debuut vorig jaar maakte het Münchner Symphoniker op 6 augustus haar rentree bij de Robeco SummerNights. Meer info over en kaarten bestellen voor de Robeco SummerNights hier.  


zaterdag 5 augustus 2017

Een fataal alter ego. 'The Dark Half' van Stephen King


De boeken van Robert Galbraith, Marek van der Jagt en Richard Bachman zijn allesbehalve hetzelfde, maar delen een belangrijke eigenschap: de schrijvers ervan bestaan niet. Ze zijn slechts bedacht als anoniem vehikel voor respectievelijk J.K. Rowling, Arnon Grunberg en Stephen King. Maar wat als het literaire alter ego een eigen plek opeist? De (fatale) gevolgen hiervan vormen de basis voor Stephen King's spannende The Dark Half

Een pseudoniem kan bevrijdend werken. Zeker in het geval van J.K. Rowling die gewoon op haar merites wenste te worden beoordeeld dan slaafse bestsellers op grond van haar Harry Potter-faam. Na de onder haar eigen naam uitgebrachte The Casual Vacancy was daar opeens een nieuwe ster aan het detective-firmament: Robert Galbraith die bescheiden succes vierde met The Cuckoo's Calling. Helaas was het geheim al snel verklapt en schoot de verkoop van Galbraith de lucht in, maar Rowling hanteert nogal altijd haar literaire alter ego voor de avonturen van detective Cormoran Strike. Arnon Grunberg wilde ook zijn eigen geschiedenis achter zich laten en introduceerde de onbekende Marek van der Jagt. De gelijke schrijfstijl zou uiteindelijk verraden dat er van een nieuwe schrijver geen sprake was, maar Grunberg wist zich nog lang in stilzwijgen te hullen over zijn alter ego. Voor Stephen King bleek een andere afweging te spelen om zijn pseudoniem Richard Bachman te introduceren. Zijn uitgever vond zijn ongekend hoge productie van meerdere boeken per jaar niet goed voor zijn brand waardoor Bachman het licht zag. Ook in dit geval werd de ware identiteit van het alter ego tegen de wil van de schrijver bekend. Een persbericht dat Bachman aan kanker was overleden, maakte een einde aan literaire tweelingbroer van King. Daarmee suggererend dat Bachman toch een schrijver van vlees en bloed was geweest in plaats van ontsproten aan het schrijversbrein. Niet voor het eerst zou een deel van het leven van King de basis vormen voor een (griezel)roman. 

Moorddadig 
Want in The Dark Half introduceert King de schrijver Thad Beaumont die hoewel hooglijk gewaardeerd wordt om zijn literaire debuut nu niet bepaald een verkoopkanon is. In het geheim heeft hij daarom zich gestort op de misdaadroman met in de hoofdrol de moordzuchtige Alexis Machine. Een enorm verkoopsucces dat zijn literaire werk in de schaduw stelt en vergezeld gaat van een pseudoniem: George Stark. Een pseudoniem waar hij uiteindelijk afscheid van wil nemen. Niet alleen omdat de koek op lijkt te zijn, maar ook om ruimte te geven aan zijn literaire ambities. Daarom kiezen Thad en zijn vrouw Elizabeth ervoor om niet alleen het geheim over de ware identiteit van George Stark te onthullen, maar hem ook ten grave te dragen. Letterlijk ten grave te dragen aangezien een artikel over deze onthulling gepaard gaat met een foto van een grafsteen van George Stark. Het had bijna over Richard Bachman kunnen gaan. Slechts één van de vele overeenkomsten tussen de in Maine wonende Thad Beaumont en Stephen King die zo ontzettend gehecht is aan New England en waar een groot deel van zijn verhalen afspelen. De vraag is echter in hoeverre Beaumont nu daadwerkelijk vrijwillig afscheid heeft genomen van Stark wanneer blijkt dat in Washington een student op gruwelijke wijze is vermoord met verwijzing naar het werk van Stark en de relatie met Beaumont. Een student die blijkens wat politiewerk op het punt stond om de ware identiteit van Stark te onthullen. Beaumont en zijn vrouw waren hem echter net voor en deden dit bewust om hem een hak te zetten. En zo wordt een fictief alter ego betrokken in een wel zeer realistische moordzaak. Maar Stephen King kennende blijft het hier niet bij en lijkt er meer aan de hand dan een simpele moordzaak. 

Thad Beaumont vs George Stark
En zonder al te veel spoilers weg te geven, verandert The Dark Half van een soort detective in iets veel mysterieuzers: wie of wat is de brenger van dood en verderf. Is het iemand die zich voordoet als George Stark of is het Beaumont die zijn alter ego misbruikt om diverse rekeningen te vereffenen. Of is er nog iets gekkers aan de hand? Is George Stark misschien wel veel meer dan een pseudoniem, maar een mens van vlees en bloed. Zoals verwacht mag worden van King weet hij dit gegeven om te zetten in een heerlijke en spannende pageturner. Waarbij de eerlijkheid wel gebiedt te zeggen dat het laatste deel van het boek minder indruk maakt dan het eerste deel. Niet eens zozeer omdat dan duidelijk is hoe de vork in de steel zit met betrekking tot George Stark, maar vooral omdat de apotheose wat meer run of the mill is en geen mysterie meer kent. Het laat overigens onverlet dat The Dark Half niet voor niets behoort tot de betere verhalen en behoort tot het literaire Pantheon van Stephen King waartoe ook klassiekers als It, Pet Sematary en Salem's Lot toebehoren. Een boek dat J.K. Rowling en Arnon Grunberg vast en zeker de nodige nachtmerries zal hebben bezorgd. Want een George Stark is toch zeker niet wat zij voor ogen hadden met hun literaire pseudoniem. 

'The Dark Half' van Stephen King is in 1989 voor het eerst verschenen. Een Nederlandse vertaling 'De Duistere Kant' is ook uitgegeven. 

maandag 31 juli 2017

De oermoeder van Stephen King en Neil Gaiman: 'The Haunting of Hill House' van Shirley Jackson


Een goed horrorverhaal schrijven is weinigen gegeven. Een literair horrorverhaal is nog zeldzamer. The Haunting of Hill House van Shirley Jackson valt in die laatste categorie. Een verhaal dat een halve eeuw later niet aan kracht heeft ingeboet. Het is daarom niet vreemd dat Shirley Jackson een belangrijke inspiratie is voor schrijvers zoals Stephen King en Neil Gaiman. 

Wanneer schrijvers als Stephen King (o.a. It, Carrie, The Shining) en Neil Gaiman (American Gods) je als inspiratiebron noemen, dan kan je niet anders dan het lezen waard zijn. En hoewel de naam Shirley Jackson (1916-1965) niet meteen veel mensen wat zal zeggen, is haar meest invloedrijke werk The Haunting of Hill House zonder twijfel bekend. Alleen al vanwege de verfilmingen onder de titel The Haunting uit 1963 en 1999. Zeker voor Nederlanders is die laatste film niet onbekend aangezien Jan de Bont de regisseur is. Helaas viel de film – met in de hoofdrollen Liam Neeson en Catharina Zeta-Jones – behoorlijk tegen en week deze ook flink af van het oorspronkelijke verhaal. Heel vreemd aangezien het boek uit 1959 tijdloos is en je nog altijd een bepaald gevoel van ongemak geeft. Essentieel voor een geslaagd horrorverhaal. Jackson is bekend geworden door het sinistere korte verhaal The Lottery (1948) maar haar naam is echt gevestigd door The Haunting of Hill House. Een verhaal over een spookhuis dat dermate subtiel dat het boek volstrekt niet aan kracht heeft ingeboet. 

Ongemak
Het bijzondere aan The Haunting of Hill House dat je een verhaal over een (vermeend) spookhuis automatisch situeert in de shires van Engeland waar tal van huizen een passend decor vormen voor een horrorverhaal. Shirley Jackson laat één van de beste literaire spookverhalen plaats vinden in het Verenigde Staten van de jaren vijftig. Het huis in kwestie – Hill House – is een huis met een verleden. In een heerlijke omschrijving stelt Jackson het huis voor aan de lezer en maakt duidelijk dat het huis reeds tachtig jaar bestaat en waarschijnlijk nog minimaal net zoveel jaar zal voortbestaan. Gebouwd door Hugo Crain is het een huis dat veel verdriet en onverklaarbare fenomenen met zich mee torst. Na de ongelukkige familiegeschiedenis van Crain, zijn diverse vrouwen en twee dochters valt het eigendom uiteindelijk buiten de familie Crain. De nieuwe eigenaren kunnen er maar weinig van genieten aangezien nieuwe bewoners na enkele dagen weer vertrekken. Een uitgelezen kans voor Dr. Montagu om wetenschappelijk te bewijzen dat het bovennatuurlijke bestaat. Daartoe nodigt hij een drietal proefkonijnen uit om samen met hem enkele nachten door te brengen in het huis en te bezien in hoeverre de verhalen kloppen. Naast een Luke Sanderson, familielid van de huidige eigenaar nemen aan dit experiment Eleanor Vance en Theodora deel. Met name Eleanor is een bijzonder geval. Lange tijd is zij mantelzorger geweest van haar zieke moeder. Net overleden blijkt dat Eleanor na de zorg voor haar moeder eigenlijk geen leven heeft en al helemaal geen bezit. Mede met dank aan haar vervelende zus en diens man. Ze is diep ongelukkig en ziet in dit experiment een kans om zich hieraan te onttrekken. 

Bovennatuurlijk?
Eleanor treft een huis aan dat in het nabijgelegen dorp wordt gemeden als de pest. Daarbovenop wordt ze geconfronteerd met het echtpaar de heer en mevrouw Dudley die als huisbewaarders optreden en aan wie hartelijkheid niet bepaald besteed is. Duidelijk is dat er iets mis met het huis is, maar of het bovennatuurlijk is? Jackson weet haarscherp dit vreemde huis tot leven te brengen, maar ook de bijzondere relatie die ontstaat tussen vier vreemden die samen worden gebracht in het experiment dat Hill House is. Een relatie die  wordt opgeschud door de onverwachte komst van de nogal bazige mevrouw Montagu en een vriend van haar de rechtlijnige Arthur Parker. Het knappe is dat Jackson de spanning subtiel opbouwt, maar ook het bovennatuurlijke karakter van Hill House fijn in het midden laat. Ze verlaagt zich niet tot effectbejag en de schrikmomenten die er zijn (en nog altijd zeer effectief uitpakken) komen voort uit het kleine. De reden wellicht waarom de Jan de Bont-versie van The Haunting – die verre van trouw aan het boek is – zo weinig geslaagd is. In de handen van Jackson is een platgetreden pad als een spookhuis een literair hoogtepunt in het genre. Een hoogtepunt dat je doet blijven gissen naar het echte verhaal van Hill House maar volstrekt duidelijk maakt waarom Jackson schrijver als Stephen King en Neil Gaiman terecht heeft geïnspireerd. 

‘The Haunting of Hill House’ van Shirley Jackson is voor het eerst in 1959 verschenen. Een Nederlandse vertaling is verschenen, maar de laatste versie hiervan was een filmeditie ter gelegenheid van ‘The Haunting’. Deze editie is alleen tweedehands verkrijgbaar. Deze recensie is eerder verschenen bij online nieuwsmagazine Jalta.

zaterdag 22 juli 2017

De laatste Romeinse keizer. 'Julian' van Gore Vidal



Ruim vijftig jaar geleden schreef Gore Vidal zijn roman over Julianus. Het kortstondige, glorieuze en tegendraadse leven van de laatste heidense Romeinse keizer inspireerde Vidal tot wellicht zijn beste roman die - gelijk Julianus - nog altijd tot de verbeelding spreekt. 

Het leven van Romeinse keizers ging lang niet altijd over rozen. Niet voor niets koos Fik Meijer voor zijn biografie van alle Romeinse keizers uit 2001 de veelzeggende titel Keizers sterven niet in bed. Met name in periodes van grote instabiliteit volgden de keizers elkaar in rap tempo op en kwamen maar weinigen tot een zachtzinnig levenseinde. In de regel is daarbij de duur van het keizerschap illustratief voor de impact van de betreffende keizers. Een uitzondering op hierop vormt de regeerperiode van Julianus (331-363) die slechts een kleine twintig maanden keizer was en de geschiedenis is ingegaan als Julianus Apostata: de Afvallige. Zijn oom Constantijn de Grote richtte het zwaartepunt van het Romeinse Rijk op het oosten door de nieuwe keizerlijke hoofdstad Constantinopel. Tegelijkertijd gaf hij het Christendom een bevoorrechte positie. Een ongekende omwenteling aangezien het Christendom lange tijd als schadelijke sekte werd gezien en menig keizer - denk aan Nero en Diocletianus - zich tegoed deed aan vervolging van Christenen. De lijn van Constantijn zou worden doorgezet door zijn drie zoons waarvan uiteindelijk Constantius overbleef als alleenheerser. Zijn neef en opvolger Julianus moest niets van het Christendom hebben en was trouw gebleven aan de oude goden die zolang de Romeinse Republiek en daarna het Romeinse Rijk domineerden. Zijn keizerschap stond daarom grotendeels in het teken van het terugdraaien van de bevoorrechte positie van het Christendom en de terugkeer naar het Hellenisme. Tegelijkertijd wilde Julianus de dominantie ten opzichte van het Perzische Rijk opnieuw veiligstellen met een grootse veldtocht in het hart van het rijk van Shapur II. Hoewel relatief succesvol overleefde Julianus de strijd niet en kwam zijn keizerschap voortijdig tot een einde. En daarmee tegelijkertijd de laatste opleving van het Hellenisme en de definitieve overwinning van het Christendom. Een nieuw tijdperk zou aanbreken. Een tijdperk waar geen plaats meer was voor het klassieke Romeinse Rijk dat in het Westen spoedig in elkaar zou storten om als het Byzantijnse Rijk voort te leven in het Oosten.

Julianus als inspirator 
Het kortstondige leven en keizerschap van Julianus heeft vele schrijvers geïnspireerd. Gore Vidal (1925-2012) was hier de meest prominente van. Zijn roman Julian verscheen in 1964 en was zowel bij publiek als critici een groot succes. Hoewel het boek inmiddels meer dan een halve eeuw oud is, is het opvallend hoe tijdloos deze roman is. Niet alleen vanwege het prachtige taalgebruik, maar ook de vertelvorm waar de memoires van Julianus worden afgewisseld door observaties van twee van zijn  (niet-fictieve) adviseurs: Priscus en Libanius. Het is een boek dat nimmer verveelt en daarmee ideaal is om eens in de zoveel tijd te herlezen. In vijfhonderd pagina's schetst Vidal op overtuigende en veelal op feiten gebaseerde leven van Julianus. Een leven dat voor het grootste deel gebukt gaat  onder de levensbedreigende schaduw van keizer Constantius die bijna vijfentwintig jaar de keizerlijke troon bezet houdt en een relatief stabiel bestuur voert. Om zover te komen dienden wel een aantal troonpretendenten inclusief zijn eigen twee broers het leven te laten. Julianus en zijn oudere broer Gallus zijn op een gegeven moment de laatste nazaten van Constantius en daarmee de Constantijnse dynastie. En daarom dus in permanent levensgevaar aangezien zij makkelijk tot symbool konden uitgroeien en alternatief voor Constantius. De Tetrarchie ingesteld door Diocletianus - de enige keizer die vrijwillig afstand deed van de troon - was onder Constantijn in onbruik geraakt en ook Constantius was er geen fan van aangezien het benoemen van nog een aantal "vice" Keizers ("Caesar") juist een basis verschafte voor opstand. Toch benoemde hij als Augustus de broer van Julianus tot Caesar. Deze eer zou ook Julianus uiteindelijk te beurt vallen, maar in tegenstelling tot zijn broer zou het niet tot zijn dood leiden. Op het nippertje overigens aangezien een beslissend treffen tussen het leger van de in Gallië zeer succesvolle Julianus en de strijdmacht van Constantius die op het punt stond een (regelmatige) veldtocht tegen het Perzische Rijk te starten uiteindelijk nooit plaats zou vinden. De goden bleken Julianus goedgezind te zijn aangezien Constantius door ziekte plotseling overleed en daarmee het gehele Romeinse Rijk toebehoorde aan Julianus. 

Een onconventionele held
Vidal vertelt op meesterlijke wijze de levensgeschiedenis van Julianus. Een levensgeschiedenis die start als een - bij vlagen hilarische - briefwisseling tussen Julianus' vertrouwelingen Priscus en Libanius die na diens dood de memoires bij elkaar brengen als basis voor een biografie. In het grootste deel van het boek is daarom Julianus zelf aan het woord, maar zodra hij de laatste en voor hem fatale veldtocht onderneemt naar Perzië worden zijn memoires wat schetsmatiger en neemt de rol van Priscus toe. Deze verhaalvorm werkt ontzettend goed en is één van de succesfactoren waarom Julian een literaire klassieker is. Een klassieker die daarmee ook de naam van multitalent Gore Vidal als schrijver vestigde en het tevens de moeite waard maakt dat zijn naam ook in de toekomst bekend blijft. Niet in de laatste plaats omdat Vidal zich - gezien zijn eigen tegendraadse levensloop - duidelijk spiegelt aan Julianus die boven alles voor hem een held is die op onconventionele wijze zich tegen de stroom in beweegt. Zijn pogingen om de oude goden te herstellen en het Christendom tegen te werken, hadden succesvol kunnen zijn wanneer hij net als zijn voorgangers Constantius en Constantijn een lange regeerperiode was gegund. Een speer in een chaotische strijdtafereel maakte een einde aan het leven van Julianus en daarmee de Perzische veldtocht die zonder meer de nodige successen betekende. 

Het einde van het Romeinse Rijk
Er zijn nog altijd vraagtekens wie de fatale speer gooide: een Perzische strijder of juist een Romein die daarmee het Christendom veilig stelde. Want dat blijft toch een interessante vraag: hoe had onze wereld eruit gezien wanneer Julianus was geslaagd in zijn voornemen het Hellenisme in de voormalige glorie te herstellen? We zullen het nooit weten. Duidelijk is wel dat Julianus de laatste echte Romeinse keizer is geweest. Het Romeinse Rijk zou in het Westen nog ruim een eeuw voortduren en zeker nog enkele competente keizers kennen, maar het oude Rome dat Julianus als geen ander belichaamde was ten dode opgeschreven. Onder zijn kortstondige opvolger Jovianus werd een beschamend verdrag met Shapur II gesloten en het Christendom hersteld. Onder diens opvolger Valentinianus - die net als zijn broer Valens een mooie cameo heeft in Julian - zou het Romeinse Rijk stabiliteit hervinden, maar tegelijkertijd werd ook de kiem gelegd voor de latere ondergang. Want zijn  broer en co-Augustus Valens en een Romeins leger van 60.000 eenheden zou smadelijk ten onder gaan tegen de Visigoten tijdens de Slag bij Ardrianopel in 378. Valens kwam net als 40.000 van zijn troepen om. Zijn lichaam zou zelfs nooit gevonden worden. Het bleek het begin van het einde. Althans het einde van het West-Romeinse Rijk. In het Oosten zou het Romeinse Rijk nog tot 1453 voortduren als het Byzantijnse Rijk met hoofdstad Constantinopel. Dat Nieuwe Rome was echter een compleet ander Rijk op de leest van het Christendom en een verering van de keizer (en dito ceremonieel) die al voor Julianus was begonnen en geweldig omschreven wordt door Vidal. 

Voor allen die maar enigszins geïnteresseerd zijn in de geschiedenis van het Romeinse Rijk en de bijzondere episode die het keizerschap van Julianus inhoudt, maar vooral houdt van een geweldige roman is bij Julian van Gore Vidal aan het juiste adres. 

'Julian' van Gore Vidal is in 1964 voor het eerste verschenen. Een Nederlandse vertaling met de titel 'Julianus de afvallige' is in 1983 verschenen. Jan van Aken liet zich gelijk Gore Vidal ook door Julianus inspireren voor zijn roman 'De Afvallige' (2013). Lees de recensie van 'De Afvallige' hier

woensdag 19 juli 2017

Een Carré vol discobeats: revanche van de Pet Shop Boys


Pet Shop Boys
Super Tour

Koninklijk Theater Carré
Amsterdam

Afgelopen november stroomde het Tilburgse poppodium 013 vol voor de nieuwste show van de Pet Shop Boys: de Super Tour. Helemaal geslaagd was die avond niet, maar leek lange tijd de enige kans om de nieuwste show van de Pet Shop Boys te zien. Maar opeens was daar een nieuwe kans. En wat voor één: de Pet Shop Boys in Koninklijk Theater Carré. Een historische maar weinig voor de hand liggende locatie voor een discofeestje. Maar een feestje werd het. 

De hoogtijdagen van de Pet Shop Boys waren ongetwijfeld in de jaren tachtig, maar dat laat onverlet dat Neil Tennant en Chris Lowe allesbehalve op hun lauweren rustend royalties opstrijken van popklassiekers als It's a Sin, Go West, West End Girls en Always on my Mind. Want de liefhebber van elektronische pop (synthpop) in het algemeen en de Pet Shop Boys in het bijzonder weten dat het succes van Neil en Chris nog altijd voortduurt. Want sinds het grote succes van de jaren tachtig hebben de Pet Shop Boys niet bepaald stil gezeten. Diverse albums zijn de revue gepasseerd waarbij met name de laatste albums - in het bijzonder Electric (2013) - de Pet Shop Boys weer in het middelpunt van de aandacht hebben gebracht. En een nieuw album betekent ook altijd een nieuwe tour. De Electric Tour in het teken van het gelijknamige album zorgden voor uitverkochte concerten overtal ter wereld. Ook Nederland werd voor het eerst in jaren weer aangedaan met een memorabel optreden in TivoliVredenburg in de zomer van 2014. De kaartverkoop ging zo snel dat in alle haast alsnog een tweede concert werd gepland. Het - iets minder succesvolle - laatste album Super verscheen in april 2016 en bleek de opmaat van de Super Tour. Een tour die op stijlvolle wijze werd afgetrapt met een bijzondere vierdaagse concertserie in The Royal Opera House te Londen. Deze residency met als titel Inner Sanctum combineerde de discobeats van de Pet Shop Boys met de eerbiedwaardige cultuurtempel waar normaliter opera en ballet regeren. De rode loper was uitgerold en bleek het recept voor een geweldig succes. Een kolkende massa van ruim 2.250 penheads zorgde voor een onvergetelijke avond en een briljante aftrap voor de wereldwijde tour. 

Tegenvallend Tilburg
Een wereldwijde tour die ook een Nederlandse editie bleek te hebben. Dit keer was niet TivoliVredenburg het Nederlandse hoofdkwartier van de Pet Shop Boys, maar moesten de Nederlandse fans op 29 november 2016 de gang naar poppodium 013 in Tilburg maken. De verwachtingen waren - zeker na het geweldige en meeslepende optreden in The Royal Opera House - hooggespannen en misschien daarom dat het Tilburgse optreden wat tegenviel. Een gelikte show met een goede mix van nummers, maar op de één of andere manier kwam het niet helemaal samen. De locatie en publiek leken daar ook deels debet aan te zijn. 

Lange tijd leek het erop dat de Pet Shop Boys bij een volgend album en dus een volgende tour pas weer Nederland zouden bezoeken. Tot - uit het niets - een eenmalig concert in Koninklijk Theater Carré werd aangekondigd. Hoewel het tot een week voor het optreden duurde voordat het concert uitverkocht was, mochten ruim 1.750 Nederlandse petheads meezingen met de geweldige mix van oude en nieuwe nummers die de Super Tour is. Een mix die overigens - in vergelijking met zowel show in The Royal Opera House als 013 - een kleine maar kardinale wijziging had ondergaan. Daar waar in beide optredens het rustige West End Girls als tweede nummer van de avond de vaart na een geweldige intro onder de hevige beats van het nieuwe nummer Inner Sanctum er een beetje uit was, kwam nu Opportunities (Let's make lots of money) en kwam het met de vibe helemaal goed. De absolute klassieker West End Girls kwam op een later moment gelukkig in het programma terug alhoewel het nieuwe Super-nummer Twenty-Something helaas moest wijken. Met 23 nummers ontstond zo een gelikte en strakke show van een kleine twee uur die misschien de (zure!) recensenten van NRC en het Parool niet konden bekoren, maar het publiek van Carré des te meer. Want hoewel Neil en Chris allesbehalve podiumbeesten zijn en hun shows voorspelbaar zijn (tot de voorgeprogammaeerde reprise aan toe), is Super een puike show waar heerlijke nieuwe hits zoals Burn, Vocal en Love is a Bourgeois Construct zij aan zij gaan met de echte klassiekers zoals It's a Sin, New York City Boy en Love Comes Quickly, maar ook recentere klassiekers zoals Love etc., The Sodom and Gomorrah Show en Home and Dry, maar ook een heerlijke nieuwe versie van Winner

Een zittend feestje in Carré  
Klassiekers die de echte fans woord voor woord mee kunnen zingen en menig concertzaal omvormen tot een discofeestje. Iets wat in het statige Carré waar iedereen een zitplaats had toch een stuk moeilijker was. Daar waar The Royal Opera House - voor die avond zelfs uitgerust met een mosh pit - het hele publiek vanaf het eerste moment stond te dansen, ontstond in Carré - met name in de loges en het balkon - wat ongemak tussen publiek dat wel en niet stond te swingen. Bij de laatste nummers stond uiteindelijk iedereen. Toch had dit concert meer de vibe van The Royal Opera House dan 013. Overigens ook door de uitstekende licht- en lasereffecten die 013 ferm in de schaduw stelden. Carré was misschien niet het dansfeest wat menigeen ervan gehoopt of gedacht had, maar een (zittend) feestje was het ongetwijfeld wel. 

Lees hier de eerdere recensie van de kick-off van de Super Tour door de Pet Shop Boys in The Royal Opera House te Londen in juli 2016. 


In april 2016 is 'Super', het nieuwste album van de Pet Shop Boys verschenen. Een vierdaagse 'residency' in The Royal Opera House van 20 t/m 23 juli 2016 vormde de start voor de Super Tour. Op 29 november 2016 deed de Super Tour poppodium 013 in Tilburg aan. Deze recensie is op basis van het tweede Nederlandse optreden: dinsdag 18 juli 2017 in Koninklijk Theater Carré. Meer info over de tour hier



maandag 17 juli 2017

Het wonderlijke en tegendraadse leven van Gore Vidal


Deze maand is het vijf jaar geleden dat Gore Vidal overleed. In de tweede helft van de twintigste eeuw was hij - vooral in de Verenigde Staten - een toonaangevende schrijver en essayist, maar vooral een beroemd commentator. Buiten de Verenigde Staten was zijn roem al een stuk beperkter en is het de vraag in hoeverre zijn faam tijdsgebonden en daarmee vergankelijk is. De uitmuntende biografie door Jay Parini is het lezen echter meer dan waard en toont Vidal als een gedenkwaardige exponent van zijn tijd. 

Het schrijven van een biografie over Gore Vidal (1925-2012) is niet geheel zonder risico's. Schrijver en literair criticus Walter Clemons overleed in 1994 terwijl zijn biografie van Vidal nog niet af was. Een biografie die overigens moeizaam van de grond kwam door een combinatie van gezondheidsproblemen en writer's block. Academicus Fred Kaplan was succesvoller en publiceerde in 1999 een biografie. De recensenten waren niet enthousiast over de leesbaarheid. Dit viel overigens in het niet bij de reactie van Gore Vidal zelf. Jay Parini - zonder enige vorm van leedvermaak - citeert Vidal's partner Howard Austen: "Gore hated the book and threw it across the room. I never saw him like this before. He didn't like mirrors". Een reactie die op voorhand voorzien kon worden aangezien Vidal met graagte zijn mening over anderen gaf, maar niet erg gediend was van de omgekeerde beweging. Het verbaast daarom niet dat Jay Parini, een goede vriend van Vidal, akkoord ging met het verzoek van Vidal om diens biografie te schrijven, maar onder de voorwaarde dat hij deze pas zou afronden en publiceren na de dood van Vidal. En zo verscheen in 2015 de langverwachte biografie die met groot enthousiasme is ontvangen. Niet zonder reden aangezien Parini er in geslaagd is om een buitengewoon lezenswaardige én evenwichtige biografie te schrijven. Een biografie van een man die bij het minste of geringste in de tegenaanval ging, maar tegelijkertijd zijn stempel heeft gedrukt op het politiek-culturele klimaat van de Verenigde Staten in de tweede helft van de twintigste eeuw. 

Schrijver, essayist of...?
Want dat hij die stempel gedrukt heeft, maakt de biografie van Parini zonneklaar. Als schrijver, scenarist, essayist en commentator was er op een gegeven moment geen ontkomen aan Vidal. Hij schreef mee aan Ben-Hur en schreef het populaire toneelstuk  The Best Man (1960). Met het taboedoorbrekende The City and the Pillar liet hij zich in 1948 (!) gelden met een coming of age-roman over homoseksualiteit. Bepaald gedurfd, zeker in die tijd. Twintig jaar later zou hij dit nog eens herhalen met de satirische roman Myra Breckinridge waarin transseksualiteit centraal staat. Tegelijkertijd manifesteerde hij zich als hooggeacht schrijver met zijn nog altijd fascinerende historische roman Julian (1964) waarin hij op overtuigende en zeer lezenswaardige wijze het leven van de afvallige Keizer Julianus (331-363) beschreef. Een rebel na aan het hart van Vidal want tegen de stroom in poogde Julianus het tij van het Christendom te keren en het Romeinse Rijk haar oude Goden terug te geven. In 1967 begon hij aan een serie van zeven historische romans - later samengebracht onder de noemer Narratives of Empire - die kenmerkende periodes in de Amerikaanse geschiedenis als uitgangspunt nemen. Burr - de fictieve memoires van de Amerikaanse vicepresident Aaron Burr, bekend van diens duel met Alexander Hamilton - en Lincoln over het presidentschap van Abraham Lincoln zijn  hiervan de beste. In 2000 verscheen het laatste deel The Golden Age. Overigens betoogt Parini behoorlijk overtuigend dat - in weerwil van Vidal's zelfbeeld als groot literair schrijver - zijn essays de meest duurzame impact hebben gehad én het beste is dat hij aan het papier heeft toevertrouwd. Dat is tegelijkertijd misschien wel de reden waarom zijn faam zo snel afgenomen is. In tegenstelling tot boeken zijn essays nogal tijdgebonden. Zeker wanneer ze politiek-maatschappelijk en dus actualiteit-gedreven zijn. 

Gore vs. Buckley
Die rol van commentator paste de immer kritische Vidal als geen ander en vormt uiteindelijk de basis voor diens faam. Want in de Verenigde Staten van zijn tijd was het televisielandschap nog zeer overzichtelijk met slechts een drietal networks (NBC, ABC en CBS) waardoor een televisieoptreden door een groot deel van het land werd gezien. Absoluut hoogtepunt waren daarbij de debatten tussen de links-liberale Gore Vidal en de rechts-conservatieve William F. Buckley in de aanloop naar de Amerikaanse presidentsverkiezingen van 1968. Een bijzondere periode waar Republikein Richard Nixon - na het verlies tegen John F. Kennedy in 1960 en de jaren van Lyndon B. Johnson - het opnam tegen Democraat Hubert Humphrey. Humphrey die in zijn eigen partij te maken had met de zeer linkse anti-Vietnam-kandidaat Eugene McCarthy. Tegelijkertijd was daar ook de onafhankelijke kandidaat George Wallace die als zuidelijke Dixiecrat een onzekere factor vormde voor beide kandidaten. In dat politieke broeinest traden Vidal en Buckley als moderne gladiatoren in de (televisie)arena aan. De reeks debatten maakte gevestigde namen van zowel Vidal als Buckley en is onderwerp van de zeer aanbevelenswaardige documentaire Best of Enemies (2015). Niet in de laatste plaats omdat de heren elkaar de huid vol scholden op live-televisie. Buckley was een crypto-nazi terwijl Vidal - zeer ongebruikelijk voor die tijd - werd aangesproken op diens seksuele geaardheid. 

Het leven van Gore Vidal
Daarmee werd via het publieke leven een inkijkje gegeven in het privéleven van Vidal dat alleszins ongebruikelijk was voor die tijd. Als Eugene Louis Vidal geboren, transformeerde hij zich tot Gore Vidal rond zijn veertiende. Een eerbetoon aan zijn grootvader die als Senator altijd een groot voorbeeld in het leven van Vidal is geweest. Daarmee leek hij ook een typisch product van het establishment maar was dat verre van. Want los van zijn grootvader - een outsider in Washington - was zijn familie allesbehalve onderdeel van het establishment. Dit werd nog eens versterkt door zijn seksuele voorkeur. Hoewel hij zichzelf nooit als homoseksueel heeft omschreven - voor hem was seksualiteit in welke vorm dan ook slechts een feitelijk gegeven - leefde hij decennialang samen met Howard Austen, de liefde van zijn leven. Het consumeren van liefde ging echter buiten Howard om en bij voorkeur in de middag zodat hij in de ochtend kon schrijven en in de avond zijn sociale leven kon leiden. Gore en Vidal waren het gelukkigst in hun appartement in Rome, maar vooral hun huis 'La Rondinaia' in Ravello aan de Italiaanse kust. In met name Rome vond hij makkelijke seksuele contacten met jonge, doch zeker niet te jonge, mannen. Ook het landhuis Edgewater in Dutchesse County nabij New York was een favoriet dat uiteindelijk in 1969 verkocht werd. Beide huizen symboliseren ook de reden waarom het met een politieke carrière nooit wilde vlotten. De ene keer vanwege het verwijt dat hij out of touch was door zijn leven in Edgewater en later omdat hij meer met het buitenland verbonden was (Italië) dan de Verenigde Staten.  

Jay Parini heeft met Every time a friend succeeds something inside me dies een heerlijke biografie geschreven die recht doet aan de complexe persoonlijkheid die Gore Vidal was. Een narcistische persoonlijkheid die met de titel al uitstekend wordt getypeerd en niet voor niets een citaat van Vidal betreft. De Amerikaanse versie van de biografie is niet veel minder treffend: Empire of Self. De typeringen volgen elkaar in hoog tempo op. Zowel die over Vidal zelf: "He liked being around royalty. Whenever we were in England and somebody played 'God Save the Queen', Gore would stand up and wave" als van Gore zelf over bijvoorbeeld Barbara Cartland die hij omschreef als "s monument draped in damp pastel colors". Quite a character, maar de vraag blijft in hoeverre Gore Vidal over enkele decennia nog in het publieke bewustzijn voorkomt. Een vraag die Vidal tot wanhoop had gedreven. Tegelijkertijd: deze biografie, maar ook een deel van zijn werk zijn het waard.

De biografie van Gore Vidal door Jay Parini is in augustus 2015 voor het eerst in het Verenigd Koninkrijk onder de titel 'Every time a friend succeeds something inside me dies: The Life of Gore Vidal'. In de Verenigde Staten verscheen de biografie in oktober van datzelfde jaar, maar dan onder de titel 'Empire of Self: A Life of Gore Vidal'. Een paperbackversie is sinds september 2016 beschikbaar.

dinsdag 4 juli 2017

Nog één keer terug naar het Witte Huis van Richard Nixon


Over Richard M. Nixon is al dermate veel geschreven dat het de vraag is of er eigenlijk nog wel iets nieuws over hem te zeggen valt. Daarbij zijn er nog zoveel andere presidenten die de nodige aandacht vragen. Niet in de laatste plaats de huidige bewoner van het Witte Huis. Bob Woodward keert met The Last of the President’s Men terug naar het Witte Huis van de president die hem journalistieke onsterfelijkheid bracht. Geen nieuwe 'smoking gun' maar zeker wel een verdieping van de enigmatische figuur Richard Nixon.

Het is inmiddels meer dan veertig jaar geleden dat Richard Milhouse Nixon (1913-1994) als eerste en enige Amerikaanse president tussentijds aftrad. En hoewel het alweer bijna vijfentwintig jaar geleden is dat Nixon overleed komt hij nog met regelmaat langs in het huidige politieke discours van de Verenigde Staten. Meestal wanneer een nieuw schandaal – in navolging van het Watergate-schandaal – tot een ‘-gate’ wordt verheven, maar zeker ook in vergelijking met één van zijn opvolgers. De komst van Donald Trump doet veel commentatoren denken aan Nixon. Niet zozeer in stijl of resultaten, maar vooral met het oog op een mogelijke impeachment van Trump. Dat lijkt nogal voorbarig, maar het plaatst Nixon weer behoorlijk in de aandacht. Op één punt lijken de 37e en de 45e president nogal op elkaar: de relatie met de pers. Daar waar Trump – onder andere via zijn Twitter-account – zijn minachting voor de pers breed etaleert, was dit in het Witte Huis van Nixon ook niet bepaald een feest der liefde waarbij de publicatie van de Nixon-tapes diezelfde minachting inzichtelijk maakte. Een zeer publiek moment daarbij is de persconferentie die Nixon als verliezend kandidaat voor het gouverneurschap gaf waarin hij zich fameus liet ontvallen “you don’t have Nixon to kick around anymore, because, gentleman, this is my last press conference”. Het presidentschap van Nixon is zo blijvend fascinerend omdat de profane Nixon van de tapes en de cover up van de inbraak in het hoofdkwartier van de Democratische Partij – in het Watergatecomplex te Washington D.C. – dezelfde Nixon is die een duurzame opening naar China mogelijk maakte. Een opening die hem zowel een spreekwoord (‘It takes Nixon to go to China’) als een opera (‘Nixon in China’ van John Adams) opleverde. Een fascinatie die nog altijd leidt tot nieuwe boeken waaronder recent een biografie van de hand van John A. Farrell en dus ook de man die het Watergate-schandaal aan het licht bracht, het lot van Nixon bezegelde en zichzelf onsterfelijkheid gaf: Bob Woodward. 

Een outsider in het Witte Huis
Samen met Carl Bernstein stond Bob Woodward (1943) aan de basis van de (langzame) val van Richard Nixon door hun berichtgeving in de Washington Post. Berichtgeving die mogelijk was door Deep Throat, de mysterieuze informant die Bernstein en Woodward op het spoort zette van het Watergate-schandaal. Samen schreven zij hierover de boeken All the President’s Men (1974) en The Final Days (1976). Pas in 2005 werd bekend dat de mysterieuze Deep Throat de nummer 2 van de FBI was: Mark Felt. Dit leidde in 2005 nog tot het boek The Secret Man waar Woodward het verhaal van Deep Throat vertelt. Vanaf het presidentschap van George H.W. Bush (1989-1993) is Woodward chroniqueur van Bush en diens opvolgers en zijn Woodward’s boeken steevast terug te vinden op de bestsellerlijsten. Tien jaar na zijn boek over Mark Felt keert Woodward (voor de laatste keer?) terug naar het Witte Huis van Nixon. Ditmaal via de minder bekende, maar daardoor niet minder betekenisvolle Alexander Butterfield (1926). Toen Nixon in 1968 de verkiezingen had gewonnen en voorbereidingen trof voor zijn intrede in het Witte Huis, zat Butterfield ver weg van de actie in Australië waar hij als luchtmachtofficier aan de vooravond van een mogelijk indrukwekkende militaire carrière stond. Mogelijk omdat nog een aantal jaren in Australië die carrière zou knakken. Een actieve rol in de Vietnamoorlog of een functie in het Witte Huis zou hem op de snelweg naar succes brengen. Gelukkig voor hem bleek dat een sleutelfiguur in de Nixon-campagne en daarmee één van de nieuwe machthebbers in Washington een oude bekende van hem was: H.R. “Bob” Haldeman. Ze hadden op dezelfde universiteit gezeten, in dezelfde studentencircuits gezeten en hun beider vrouwen waren vriendinnen die nog altijd contact onderhielden. Een brutale brief leidde tot een gesprek en uiteindelijk een aanbod om assistent van Haldeman te worden (die de rol van Chief of Staff had) en daarmee deputy assistant van de nieuwe president. Daarmee werd Butterfield één van de weinigen die al niet behoorde tot de inner circle van Nixon, maar wel een belangrijke post in de directe nabijheid kreeg. En dus een outsider in het Witte Huis. Een status die tot in het bizarre tot uitdrukking zou komen. 

Verdieping van de al bekende Nixon
Want bizar is het goede woord voor het gevoel dat je bekruipt bij het lezen van de weergave van de eerste dagen van Butterfield. Woodward kent Butterfield al langer en een groot aantal lange (opgenomen) gesprekken vormen de basis voor dit boek. Butterfield had ooit de ambitie om zelf een boek te schrijven over zijn tijd met Nixon, maar laat het nu dus over aan Woodward. Het is een relatief compact boek geworden (niet meer dan 190 pagina’s) waar je geen weekend voor nodig hebt. Het aardige aan het boek is dat het niet echt een nieuw hoofdstuk toevoegt aan wat al bekend is over Nixon, maar het is zeer zeker een verdieping. In detail wordt duidelijk gemaakt dat Nixon een bijna autistische houding had in het Witte Huis waardoor het uiteindelijk nog best lang duurde voordat Butterfield formeel kennis maakte met Nixon. Een kennismaking die in een ijzingwekkende stilte plaats vond en – in de woorden van Haldeman – gedwongen op het verkeerde moment plaats vond. Want dat beeld zet zich meteen in The Last of the President’s Men: een president die zoveel moeite heeft met het vertrouwen van “nieuwe” mensen dat wanneer iemand op een verkeerd gekozen moment wordt geïntroduceerd het mogelijkerwijs het einde van diens carrière betekent. Wat volgt is een ontluisterend beeld van de gang van zaken in het Witte Huis onder Nixon die niet zozeer onbekend was, maar wel verdiept wordt. Hoewel Butterfield beschikt over tal van (geheime) dossiers uit die tijd is er verder geen echte 'smoking gun' behalve een memo over het verloop van de Vietnamoorlog waarop Nixon in grote letters had gekalkt dat die inzet niets maar dan ook niets (“Zilch!”) had opgeleverd. Dat weerhield hem er vervolgens niet van om nog grotere bombardementen te laten uitvoeren. Na herverkiezing van Nixon – na de inbraak in het Watergate, maar voor het echt ontbranden van het schandaal – verlaat Butterfield het Witte Huis om aan de slag te gaan bij de Amerikaanse luchtverkeersleiding als Federal Aviation Administrator. Hij maakt dan geschiedenis door in een verhoor voor de Watergate-commissie het bestaan van het opnamesysteem in het Witte Huis te onthullen. Een onthulling die Nixon uiteindelijk fataal zou worden. 

The Last of the President’s Man is een heerlijk tussendoortje voor liefhebbers van de Amerikaanse politieke geschiedenis en het Nixon-tijdperk in het bijzonder. Het brengt geen nieuwe inzichten, maar het brengt wel aanvullende verdieping. Daarbij heeft Woodward zijn gave voor een meeslepende vertelling niet verloren want het verhaal van Alexander Butterfield leest als een rijdende trein. Een trein die kaarsrecht en zonder remmen de afgrond toesnelt en fascineert als een hert in de koplampen. 

Foto: Wikimedia Commons

In oktober 2015 is ‘The Last of the President’s Men’ van Bob Woodward verschenen bij Simon & Schuster, ook als eBook. Een paperbackversie is sinds oktober 2016 verkrijgbaar.

maandag 3 juli 2017

Strijd op de Amerikaanse Olympus. 'American Gods' van Neil Gaiman


De Goden van het verleden en de Goden van de toekomst strijden in de Verenigde Staten op leven en dood in Neil Gaiman’s American Gods. Een strijd die soms doet denken aan de veranderende impact van films en de opkomst van televisieseries. STARZ – in Nederland te zien via Amazon Prime Video – maakt zestien jaar na dato een enthousiast ontvangen serie ervan met o.a. Ian McShane. Alle reden om American Gods van Neil Gaiman eerst maar eens te lezen voor de serie te zien. 

Rustig kijkend naar I Love Lucy in een non-descripte typisch Amerikaanse hotelkamer blijkt opeens dat de recent vrijgekomen Shadow wordt toegesproken door Lucy zelf. Lucy waarschuwt Shadow dat in de komende strijd tussen de Goden van het verleden en de Goden van de toekomst hij de kant van de toekomst moet kiezen. American Gods van Neil Gaiman zit vol met dit soort bizarre scenes die zo goed passen binnen zijn narrative dat het voor de lezer de normaalste zaak van de wereld is. Via American Gods stap je de hedendaagse Verenigde Staten in waar de inwoners geen idee hebben dat ze een land bevolken dat overloopt van goden. Want hoewel de Nieuwe Wereld de Oude Wereld achter heeft gelaten, zijn de Goden van de Oude Wereld meeverhuisd met de trek naar het Westen. Zo hebben een keur aan goden, van de Noorse mythologie tot Afrikaanse vertellingen, een plek gevonden in de nieuwe wereld. Tegelijkertijd is de Nieuwe Wereld ook de voedingsbodem voor nieuwe goden: van de media tot aan het internet. Blijkbaar is The Land of the Free niet groot genoeg om zoveel goden te herbergen en staan de Verenigde Staten aan de vooravond van een epische clash die bepalend zal zijn welke goden zullen overleven en daarmee het karakter van de Verenigde Staten bepalen. Binnen deze strijd is de recent uit de gevangenis ontslagen Shadow Moon een belangrijke pion. Terwijl zijn straf erop zit en hij zich verheugt op het weerzien met zijn vrouw Laura en jeugdvriend Robbie die ook een baan voor hem heeft, slaat het (goddelijke gestuurde?) noodlot toe: Laura en Robbie komen om bij een auto-ongeluk en de toekomst van Shadow is niet alleen verdrietig maar ook ongewis. De mysterieuze Wednesday ontfermt zich over Shadow en neemt hem in dienst als zijn factotum. Deze Wednesday blijkt de veramerikaniseerde Noorse god Odin voor wie het land van fastfood en snelwegen een nieuw Asgard is. Langzamerhand wordt het voor Shadow duidelijk dat hij een niet onbelangrijke pion is in een strijd. Maar dan niet een strijd tussen rivaliserende criminele bendes, maar een goddelijke strijd. 

De strijd tussen televisie en film
Met American Gods heeft de Britse schrijver Neil Gaiman (1960) een onnavolgbaar epos geschreven dat niet voor niets aan het begin van de 21e eeuw veel prijzen heeft gewonnen. Een boek dat op een oorspronkelijke manier het geloof in goden definieert als een variatie op Descartes: ‘ik geloof, dus ontstaan ze’. Een boek dat tegelijkertijd een uitmuntende uitwerking is van Americana terwijl de schrijver allesbehalve Amerikaans is. Hoewel het boek pas op mijn radar is gekomen door lovende recensies van de televisiebewerking, is het allerminst een verborgen parel. Deze parel, getuige de prijzen maar ook de diverse (uitgebreide) heruitgaven, heeft al langer een grote schare fans. Waaronder dus ook in de wereld van televisie. En in die televisiewereld doet zich eigenlijk een beetje hetzelfde voor als in American Gods: de strijd tussen dominantie in het verleden en de toekomst. Lange tijd is de impact van films op de populaire cultuur en daarmee onze maatschappij groot geweest. Die impact is er nog zeker, maar de echte vernieuwing voltrekt zich tegenwoordig toch op het kleine scherm. HBO was een voorloper, maar inmiddels is het aantal content driven aanbieders niet meer te tellen en is het aanbod van innovatieve series die zich op lucratieve niches overweldigend. Een aanbod dat inmiddels qua budget menig bioscoopfilm in de schaduw zet. De filmwereld is nog lang niet dood, maar de avant-garde bevindt zich al lang niet meer in de bioscoopzalen. Voorheen (relatief) obscure verhalen vormen nu de basis voor de meest briljante televisieseries. Het is dan ook niet verwonderlijk dat steeds meer voorheen onverfilmbaar geachte boeken nu een onderwerp zijn van televisieseries met enorme budgets. Netflix en HBO zijn daarbij nog altijd hofleveranciers, maar Amazon van Jeff Bezos doet via Amazon Prime Video ook een duit in het zakje. De televisiebewerking van Philip K. Dick’s The Man in the High Castle was hier al een voorbode van. De vertaling naar het kleine scherm van American Gods is daar een vervolgstap in. Overigens is dit een productie van het Lionsgate-vehikel Starz dat met Amazon een distributieovereenkomst heeft en op die manier ook in Nederland te zien. 

In het geval van de strijd tussen film en serie geldt het adagium ‘sterker uit de strijd’, maar of dat geldt voor de strijd tussen de Amerikaanse goden valt dat nog te bezien. Wat als een paal boven water staat is dat Neil Gaiman met American Gods een zeer lezenswaardige bijdrage aan het fantasie-genre heeft geschreven dat oorspronkelijk en meeslepend is. De strijd tussen de Goden van het verleden en de toekomst is slechts een onderdeel van een breder verhaal met meerdere lagen en thema’s waardoor dit land van goden en monsters allesbehalve ongeloofwaardig is. 

Foto: Starz

‘American Gods’ van Neil Gaiman is voor het eerst in 2001 verschenen. In 2011 verscheen een uitgebreidere editie van de oorspronkelijke tekst. Ter gelegenheid van de televisiebewerking is het boek in 2017 opnieuw uitgegeven en is tevens een Nederlandse vertaling beschikbaar. De televisieserie is te zien via Amazon Prime Video. Deze recensie is eerder verschenen bij online nieuwsmagazine Jalta.

maandag 26 juni 2017

De herontdekking van Anthony Burgess' magnum opus


Ruim 35 jaar na het verschijnen van Earthly Powers is voor het eerst als Machten der Duisternis een Nederlandse vertaling verschenen van het magnum opus van Anthony Burgess. Alle reden om de oorspronkelijke versie voor het eerst te lezen en na te gaan waarom de bedenker van A Clockwork Orange niet alleen daarom bekend hoort te zijn. De intrigerende eerste zin is de start van een literair avontuur dat je niet snel vergeet. 

De Britse schrijver Anthony Burgess (1917-1993) is één van de bekendste schrijvers in de Engelstalige wereld, maar zijn faam daarbuiten is toch vooral verbonden met A Clockwork Orange. Een roman die een bijzonder naargeestige toekomst schetst en vooral bekend is geworden door de filmversie van de hand van Stanley Kubrick. Een film die in 1971 grote controverse uitlokte, maar tegenwoordig die impact niet meer heeft. In 1980 schreef Burgess Earthly Powers dat pas deze maand – onder de titel Machten der Duisternis – voor het eerst een Nederlandse vertaling heeft gekregen. Daar waar de toekomstblik uit de jaren zestig van A Clockwork Orange zeer tijdgebonden is, geldt dat in minder mate voor Earthly Powers dat als biografie van de fictieve schrijver Kenneth Toomey in een kleine 700 pagina’s een panorama van de twintigste eeuw schetst. Earthly Powers is zo’n boek dat begenadigd is met een eerste zin die intrigeert en fascineert. Een zin die overigens ook in de nieuwe Nederlandse vertaling niet aan kracht heeft ingeboet: “Het was de middag van mijn eenentachtigste verjaardag en ik lag in bed met mijn schandknaap toen Ali kwam zeggen dat de aartsbisschop er was om me te spreken”. 

Een literair leven
In die eerste zin van dat eerste hoofdstuk zitten tal van elementen die in de tachtig hoofdstukken die hier nog op volgen bepalend zijn. Het maakt duidelijk dat de hoofdpersoon van Earthly Powers homoseksueel is. Een niet bepaald ongevaarlijke constatering in het Verenigd Koninkrijk waar Burgess opgroeide en tot vervolging dan wel censuur leidde. Oscar Wilde (1854-1900) is het daar het meest fameuze voorbeeld van. Een afschrikwekkend voorbeeld dat William Somerset Maughan (1874-1965) ervan weerhield om homoseksualiteit in zijn werk voor te laten komen. Dezelfde schrijver die naar verluidt de inspiratie vormde voor de 81-jarige uit die eerste zin van Earthly Powers. De fictieve Britse schrijver Kenneth Toomey die zijn vaderland – vanwege zijn eigen homoseksualiteit - al lang geleden heeft verruild voor een zelfgekozen verbanning in onder andere Malta waar in zijn villa deze eerste zin plaats vindt. Een villa verder bevolkt door een laatste in een behoorlijke rij van minnaars die vooral aan Toomey zijn verbonden door zijn geld en aanzien. Een constatering die Toomey zelf met graagte expliciet maakt. En zijn trouwe dienaar Ali die de andere noden van Toomey ledigt. 

De in totaal 81 hoofdstukken die Earthly Powers telt, staan symbool voor het aantal levensjaren van Toomey waarin hij zich richt tot de lezer en zijn levensverhaal uiteenzet. Een levensverhaal waar de Rooms-Katholieke kerk een belangrijke rol speelt. Het is niet voor niets dat Toomey op zijn 81e wordt bezocht door een aartsbisschop. Deze prelaat heeft tot taak om bewijs te verzamelen voor de heiligverklaring van Paus Gregorius XVII. Voor zijn goddelijke roeping ging deze paus door het leven als Carlo Campanati en was hij via zijn broer Domeninco verbonden aan de Toomey-familie. Deze niet onverdienstelijke componist die later succes zou hebben in Hollywood was getrouwd met Hortense, de zus van Kenneth Toomey. De verwikkelingen in het leven van Toomey zijn nauw verbonden met die bijzondere familieband, maar nog meer met de belangrijkste ontwikkelingen in de twintigste eeuw. 

Een waar magnum opus
Het bijzondere aan Earthly Powers is dat hoewel volledig fictief Burgess – vanuit de familiaire wederwaardigheden van de families Toomey en Campanati – een panorama van de twintigste eeuw aan de lezer voorbij doet trekken. Van bepalende thema’s zoals geloof, de aard van het kwaad en homoseksualiteit en invloedrijke (met name literaire) personen zoals James Joyce, Joseph Goebbels, Benito Mussolini en Ernest Hemingway tot historische gebeurtenissen al dan niet gefictionaliseerd. Van de zeppelin Hindenburg tot een variatie op het Jonestown-incident waar een sekte collectief zelfmoord pleegde. Toomey reist daarbij met name door Europa en de landen van het Gemenebest vanaf de Eerste Wereldoorlog, de opkomst van het fascisme, de Tweede Wereldoorlog en de nieuwe wereldorde na het einde van het Derde Rijk en de Japanse koloniale ambities. Burgess heeft daarbij een onmiskenbaar talent om dit alles tot een zeer rijke roman te kneden die fascineert door de reikwijdte en het prachtige taalgebruik, maar ook her en der tot een glimlacht leidt door een karakter dat varieert van het droogkomische tot het dramatische. De rijkheid die Earthly Powers omvat, maakt het tot een bijna onmogelijke opgave om dit op een goede manier binnen deze (relatief) beperkte ruimte te etaleren. Deze uiteenzetting toont (hopelijk) aan dat Earthly Powers terecht wordt gezien als het magnum opus van Anthony Burgess en een belangrijke mijlpaal in de Engelstalige literatuur. Een boek dat al veel eerder in het Nederlands vertaald had moeten worden om een groter publiek kennis te laten maken met het bijzondere leven van Kenneth Toomey.

‘Earthly Powers’ van Anthony Burgess is voor het eerst in 1980 verschenen. Als ‘Machten der Duisternis’ is 1 juni jl. de Nederlandse vertaling door Paul Syrier verschenen bij Uitgeverij G.A. van Oorschot. Deze recensie is op basis van de oorspronkelijk Engelstalige versie. Deze recensie is ook verschenen bij online nieuwsmagazine Jalta.

zaterdag 17 juni 2017

Festival Classique 2017: Oneindig Mondriaan


Festival Classique 2017
Movement

Beethoven: Ouverture Coriolan
Grieg: Solveigs vuggevise en Ved Rondane
Satie: Gymnopedie Nr. 3
Milhaud: Scaramouche
Tsjaikovski: Symfonie Nr. 6 - Allegro molto vivace
Dvořák: Song to the Moon uit Rusalka
Stravinsky: De Vuurvogel - Danse InfernaleBerceuse en Finale
Brahms: Hongaarse Dans Nr. 1 (reprise)

Kari Postma (sopraan), Raaf Hekkema (saxofoon)
Lex Bohlmeijer (presentatie), Thom Stuart (choreografie)
De Dutch Don't Dance Division 

Nicholas Collon, Residentie Orkest
Kurhaus, Scheveningen 

Met Movement brengt het Festival Classique een hommage aan Piet Mondriaan. Geïnspireerd door diens vernieuwende kunst slaan ruim 130 musici en dansers de handen ineen om - in veel gevallen letterlijk - de beweging die Mondriaan ontketend heeft tot leven te brengen. Het Residentie Orkest onder leiding van de nieuwe chef-dirigent Nicholas Collon slaagt daar zeer goed in, maar vooral wanneer de De Junior Dutch Dance Division het feest compleet maakt met meeslepende dans. 

In 2006 startte het Festival Classique met concerten in en rondom het centrum van Den Haag met als hoogtepunt het concert op de Hofvijver. Maar aangezien de zomer meteorologisch maar vooral gevoelsmatig in juni nog vaak niet echt begonnen is, viel dat hoogtepunt met enige regelmaat (letterlijk) in het water. Inmiddels is het Festival Classique verhuisd naar Scheveningen en vindt van 15 tot en met 25 juni alweer de elfde editie plaats. De statige Kurzaal in het Kurhaus is één van de bijzondere locaties die dienen als podium voor het festival dat met 42.000 bezoekers in 2016 zeer succesvol en inmiddels vast onderdeel van de Haagse zomer is geworden. Na het openingsconcert op donderdag was het gisteren aan Movement om het festival echt in beweging te krijgen. De gecombineerde krachten van 130 musici en dansers slaagde daar volkomen in. Geïnspireerd door het iconische werk van Piet Mondriaan (1872-1944) is Movement een divers programma geworden met zang en dans op muziek van Beethoven, Grieg, Satie, Milhaud, Tsjaikovski, Dvořák en Stravinsky. 

Een nieuwe chef-dirigent
Het Haagse Residentie Orkest is onlosmakelijk met het Festival Classique verbonden, maar bevond zich tegelijkertijd de afgelopen jaren in een bijzondere positie. Sinds het vertrek in 2012 van Neeme Järvi heeft het orkest geen chef-dirigent meer. Een moeilijke (financiële) periode lag daar aan ten grondslag waardoor het orkest noodgedwongen een tijd lang het had te doen met een reeks aan gastdirigenten. Een duo van Richard Egarr en Jan Willem de Vriend was de volgende stap waarbij de jonge Nicholas Collon (1983) de afgelopen twee jaar naast De Vriend het orkest weer tot leven bracht. Vlak voor de start van het Festival Classique werd - niet onverwacht - bekend dat met ingang van het volgende seizoen Collon de nieuwe chef-dirigent en artistiek adviseur van het orkest wordt. Een bevestiging van het voor iedereen zichtbare, maar vooral hoorbare feit dat het eminente orkest weer helemaal terug is van weggeweest. Het recente concert ter gelegenheid van het afscheid van burgemeester van Den Haag Jozias van Aartsen - met onder andere een indrukwekkende uitvoering van de Vierde Symfonie van Mahler - was daar al een mooi voorbeeld van. En ook in de muzikale potpourri die Movement is, werd dit zonneklaar. 

Het hoogtepunt met Mondriaan en Tsjaikovski
Daarbij was het Residentie Orkest niet alleen in de Kurzaal. Het diverse programma werd op aanstekelijke wijze aan elkaar gepraat door Radio 4-presentator Lex Bohlmeijer. De Noors-Nederlandse sopraan Kari Postma ontroerde in twee liederen van Grieg, maar vooral in de Song to the Moon uit  Dvořák's opera Rusalka. De saxofonist Raaf Hekkema pakte uit in Scaramouche van de Franse componist Milhaud en - zeker in het derde samba-achtige deel - liet duidelijk horen waarom dit werk in een programma als Movement niet mag ontbreken. Maar het echte hoogtepunt van de avond waren die momenten waarop de muziek van het Residentie Orkest tot leven werd gebracht door de jonge dansers van De Junior Dutch Don't Division van het Haagse dansgezelschap De Dutch Don't Dance Division (DeDDDD) van Thom Stuart en Rinus Sprong. In Den Haag is DeDDDD inmiddels een begrip door onder andere jaarlijkse producties zoals Solo's at the Sea en de kerstproductie. Grappig genoeg waren de juniors diezelfde avond ook zeer zichtbaar voor de rest van Nederland aangezien ze in Holland's Got Talent zich naar de finale dansten. En dat is niet zonder reden aangezien het dansen van hoog niveau is en de choreografie, ditmaal van Thom Stuart, geweldig samen gaat met de muziek van in dit geval Beethoven en Tsjaikovski. In de Ouverture Coriolan gaven de mannelijke dansers - getooid in de kleuren van Mondriaan - een abstracte weergave van de muziek gebaseerd op de historische Romeinse staatsman Coriolanus die door zijn moeder werd overreed om Rome te sparen en zo zijn eigen ondergang tegemoet ging. Maar het echte hoogtepunt was de combinatie van Mondriaan en het opzwepende derde deel uit de Zesde Symfonie van Tsjaikovski. Een schier eindeloze optocht van dansers - via een soort perpetuum mobile-constructie waarbij de eerste danser snel weer aansluit als laatste in de rij - in de iconische Mondriaan-jurk van Michael Barnaart van Bergen (geïnspireerd door Yves Saint Laurent) gaven enorm reliëf aan de muziek van Tsjaikovski en de beste vertaling van Movement. De combinatie was dermate indrukwekkend dat het publiek tot een welgemeende en zeer spontane tussentijdse staande ovatie kwam. Hoewel nog het prachtige Song to the Moon en delen uit Stravinsky's De Vuurvogel volgden was het hoogtepunt echt al geweest. Sowieso had de prima uitgevoerde De Vuurvogel - hoewel Stravinsky nog altijd blijkbaar niet ieders smaak is - wel wat meer 'omlijsting' mogen hebben door ook dit werk te combineren met dans. Maar dat is een beperkte kritische noot op een verder heerlijk concert dat met de eerste Hongaarse Dans van Brahms nog een lekkere goulash-uitmijter kreeg.

De elfde editie van Festival Classique vindt plaats van 15 t/m 25 juni in diverse locaties in en rondom het Kurhaus in Scheveningen. 'Movement' wordt op zondag 17 juni voor een tweede en laatste keer uitgevoerd. Deze recensie is op basis van de uitvoering op 16 juni. Kaarten en meer info over het Festival Classique hier

dinsdag 13 juni 2017

Pervers genot in een waanzinnige Salome


De Nationale Opera
Salome
(Richard Strauss, 1864-1949)

Malin Byström, Salome
Evgeny Nikitin, Jochanaan
Lance Ryan, Herodes
Doris Soffel, Herodias
Peter Sonn, Narraboth

Ivo van Hove (regie), Jan Versweyveld (decor en licht) 
An D'Huys (kostuums), Tal Yarden (video)

Daniele Gatti, Koninklijk Concertgebouworkest
Nationale Opera & Ballet, Amsterdam

De Nationale Opera sluit het seizoen af met een in alle opzichten waanzinnige nieuwe productie van Richard Strauss’ Salome. Een door Daniele Gatti aangejaagd Koninklijk Concertgebouworkest laat de prachtige en sensuele  muziek van Strauss stralen als nooit tevoren. Terwijl een spaarzame maar hoogst effectieve enscenering van Ivo van Hove maximaal ruimte geeft aan het perverse genot van Salome die door Malin Byström in volle waanzin ongenaakbaar tot leven wordt gebracht. Een geweldige productie die zonder twijfel het muzikale hoogtepunt van dit seizoen is en nu al een klassieker.

Voor de derde maal in vijftien jaar voert De Nationale Opera de omstreden opera Salome (1905) van Richard Strauss uit. Gebaseerd op het gelijknamige toneelstuk van Oscar Wilde schreef Strauss een eenakter waar Salome, de perverse stiefdochter van koning Herodes, haar stiefvader via haar sensuele dans van de zeven sluiers overreedt om de door hem gevangen genomen Johannes de Doper (Jochanaan) te onthoofden. Dit slechts vanwege het feit dat Jochanaan de verliefde Salome durft af te wijzen en weigert haar te kussen. Geslaagd in haar moorddadige voornemen, kust zij het levenloze hoofd van Jochanaan. Tot afgrijzen van haar stiefvader die haar dood beveelt. Zowel bij de première van het toneelstuk van Oscar Wilde als de opera van Richard Strauss was het schandaal niet van de lucht. Een schandaal dat Strauss bepaald geen windeieren heeft gelegd aangezien Salome een zeer populair onderdeel is geworden van de operacanon en de componist later deed opmerken dat zijn villa in Garmisch betaald is met de inkomsten van deze opera.   

Kupfer, Konwitschny en Van Hove
In 2002 stofte de toenmalige De Nederlandse Opera de niet onverdienstelijke enscenering van Harry Kupfer uit 1988 nog eens af om deze onder muzikale leiding van Edo de Waart uit te voeren. In 2009 volgde een volledig nieuwe productie in een enscenering van Peter Konwitschny. Een nogal onbegrijpelijke en abstracte enscenering gecentreerd rondom een eettafel met monsterlijke figuren waarbij het boegeroep na afloop – terecht - niet van de lucht was. Daar waar Kupfer de natuurlijke kracht van de muziek en het libretto via de enscenering ondersteunde, was hier sprake van een parallelle wereld die alleen maar afleidde. Het is daarom weinig verwonderlijk dat – in markant contrast met de Kupfer-enscenering – dit decor achterwege is gelaten en gekozen is voor een nieuwe productie onder regie van Ivo van Hove als onderdeel van het Holland Festival. 

Voor de muzikale begeleiding werd ditmaal het Koninklijk Concertgebouworkest (KCO) onder leiding van de eigen chef-dirigent Daniele Gatti bereid gevonden. De laatste keer dat het KCO onder Gatti in de orkestbak van Nationale Opera & Ballet kon worden teruggevonden, was in 2014 met een geweldige productie van Verdi’s Falstaff. En hoewel dit positief stemt, heeft Gatti pas één keer eerder kortstondig Salome gedirigeerd en heeft het orkest – althans in de huidige bezetting – nog geen enkele keer deze opera zich meester gemaakt. Toch waren de voortekenen voor deze productie zeer gunstig. Want, zoals elders ook opgemerkt, bij het debuut van Gatti in 2004 bij het Koninklijk Concertgebouworkest stond Salome’s Dans van de Zeven Sluiers op de lessenaar. Een prachtig concert dat deze Salome-liefhebber net als de twee eerdere DNO-producties van Salome heeft bijgewoond.

Het orkest in de hoofdrol
Hoewel de rol van Salome door de omvang en zwaarte zeer bepalend is voor het succes van deze opera is de uiteindelijke hoofdrol toebedeeld aan de muziek en daarmee het orkest. Zeker wanneer het orkest de muziek van Strauss zo overtuigend en sensueel laat klinken als het KCO. Muziek die op het lijf geschreven is van Gatti aangezien pathos en bezieling leidend zijn voor een echt goede uitvoering. Het knappe hierbij is dat de waanzin die langzamerhand van Salome bezit neemt in haar queeste om Jochanaan te kussen hand in hand gaat met de ontwikkeling van de muziek. Momenten van pure schoonheid wisselen onnavolgbaar af met uitbarstingen van extase en toorn. De bedrieglijk eenvoudige enscenering van Van Hove die feitelijk niet meer is dan een steeds kleiner wordende doorkijk naar het paleis van Herodes afgezet tegen een kaal en zwart decor gedomineerd door een almaar veranderende maan weet puntgaaf de dramatiek van het libretto te ondersteunen. Een dramatiek die tot perfectie wordt geboetseerd door Malin Byström die een bijzonder geloofwaardige Salome neerzet en de sterren van de hemel zingt, maar ook de Dans van de Zeven Sluiers verdienstelijk en ongebruikelijk zelf danst. Een dans waar de rest van cast als het ware gehypnotiseerd in op gaat. De bonkige en volop getatoeëerde Jochanaan van Evgeny Nikitin lijkt op het eerste gezicht in niets op een man waar een prinses als Salome door verrukt zou kunnen raken, maar juist in die stoere ongenaakbaarheid wordt het des te geloofwaardiger. Sowieso is er een overvloed aan talent in de rolbezetting, hoe klein de rol ook. Herodes is door Lance Ryan ontdaan van de overbekende karikatuur terwijl Doris Soffel een zeer koninklijke Herodias neer zet die niet alleen haar dochter aanspoort tot heiligschennis, maar naast Byström de meest overtuigende vertolking neerzet. 

De producties van De Nationale Opera vallen zelden tegen, maar deze productie van Salome neemt een wel heel bijzondere plaats in. De ruim één uur en drie kwartier die deze eenakter duurt, vliegen voorbij en bereikte door de hoge kwaliteit een intensiteit waardoor het publiek ademloos – er was werkelijk waar geen kuch te horen – in de greep was van het muzikale genie van Richard Strauss. Een genie dat tot volle wasdom komt door een ultieme samensmelting van orkest, dirigent, solisten en enscenering. Zonder twijfel het muzikale hoogtepunt van dit seizoen en één van de pareltjes uit de trotse geschiedenis van de Nationale Opera. Halverwege zegt Jochanaan met 'Du bist verflucht!’ Salome de wacht aan en tekent tegelijkertijd zijn eigen doodvonnis. Dat geldt allesbehalve voor deze magistrale uitvoering waarbij je pas vervloekt bent wanneer je niet de kans grijpt om deze muzikale hoogmis te ondergaan.  

Foto: Nationale Opera & Ballet


Op 9 juni 2017  is een nieuwe productie van ‘Salome’ van Richard Strauss bij De Nationale Opera in première gegaan. Tot en met 5 juli wordt ‘Salome’ bij Nationale Opera & Ballet in Amsterdam opgevoerd. Deze recensie is op basis van de uitvoering van maandag 12 juni.